Tag: particulier onderzoek

  • Branches over rapport-Hamer: ‘Zeer zinvolle aanbevelingen’

    Branches over rapport-Hamer: ‘Zeer zinvolle aanbevelingen’

    Branches over rapport-Hamer: ‘Zeer zinvolle aanbevelingen’

    Gorinchem, 28 mei 2026 – ‘Zeer zinvolle aanbevelingen om een serieus probleem op te lossen.’ Dat stellen voorzitter Ard van der Steur van de Nederlandse Veiligheidsbranche en Vanessa Middelkoop, voorzitter van de sectie POB, over het vandaag verschenen rapport Veilig onderzoek naar (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van regeringscommissaris Mariëtte Hamer. Ook voorzitter Robert van den Bergh van de Branchevereniging voor Particuliere Onderzoeksbureaus (BPOB) is positief.

    Van der Steur: ‘Met deze aanbevelingen in de hand kunnen alle betrokken partijen aan de slag om de wijze waarop mogelijk grensoverschrijdend gedrag wordt onderzocht, te verbeteren. We hebben de afgelopen jaren toch een vorm van wildgroei gezien in het verrichten van onderzoek. Partijen, zoals soms ook advocaten en accountants die zonder de juiste opleiding te hebben genoten, zeer gevoelige – vaak persoonsgevoelige – zaken onderzochten of onderzoeksbureaus die zonder de juiste vergunning van het ministerie van Justitie en Veiligheid in deze sector werkten. De aanbeveling van mevrouw Hamer om uitsluitend met gecertificeerde onderzoekers te werken, zien wij als een aanmoediging en compliment voor de gespecialiseerde onderzoeksbureaus die al actief zijn. Wij – de bij onze sectie POB en bij de BPOB aangesloten onderzoeksbureaus – zijn voortdurend bezig met kwaliteitsverbetering. Veel van deze adviezen gaan ons daarbij helpen.’

    Van den Bergh (BPOB): ‘Onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag vraagt om deskundigheid, onafhankelijkheid en zorgvuldigheid. Het is belangrijk dat organisaties bewuste keuzes maken over welke interventie passend is en dat onderzoeken worden uitgevoerd door gespecialiseerde professionals.’

    Regeringscommissaris Mariëtte Hamer, die als opdracht heeft een cultuurverandering te bewerkstelligen en daarbij seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld zoveel mogelijk in te dammen, concludeert in haar rapport dat de wijze waarop onderzoek op dat vlak wordt gedaan, vaak niet goed is. Vooral bij het onderzoek naar (gedrag van) personen gaat het regelmatig mis. Personen kunnen dan beschadigd raken zonder dat duidelijk is of en in hoeverre zij zich misdragen hebben en zonder dat zij schuldig zijn bevonden.

    Om het onderzoek te verbeteren, formuleert Hamer een lange lijst met aanbevelingen. Kern daarvan is dat onderzoekers een speciale opleiding moeten hebben genoten en dat er een afzonderlijk toezichtsorgaan wordt opgericht. Verder maakt zij een onderscheid tussen ‘cultuuronderzoek’ (waarbij het onderzoek zich richt op een organisatie) en ‘persoonsonderzoek’. De regeringscommissaris bepleit een afzonderlijke brancheorganisatie voor bureaus die cultuuronderzoek verrichten. Zo’n brancheorganisatie kan de kwaliteit en de opleidingen voor dit soort onderzoek stimuleren en kan werken met keurmerken, vindt Hamer.

    Van der Steur ziet veel aanknopingspunten voor verbetering van de situatie. ‘Kwaliteitsborging en kwaliteitsverbetering staan bij ons altijd al bovenaan de prioriteitenlijst. Specialisatie, zoals door Hamer bepleit, is daar onderdeel van. Een afzonderlijke branchevereniging bestaat  al in de vorm van de sectie Particuliere Onderzoeksbureaus van onze vereniging. Op dat vlak kunnen we prima optrekken met de BPOB – de samenwerking verbeteren. Die kunnen we meer gewicht geven met aanvullende kwaliteitseisen voor de bestaande keurmerken en door het bestaande onafhankelijk exameninstituut SVPB .’

    Van der Steur maakt nog wel een kritische kanttekening bij het rapport: ‘Onduidelijk is hoe groot het probleem is. Hamer c.s. presenteren geen cijfers van het aantal goed uitgevoerde onderzoeken en het aantal ondeugdelijke onderzoeken. Daardoor kan het beeld ontstaan dat heel veel onderzoek niet goed is, terwijl de bij de Nederlandse Veiligheidsbranche aangesloten onderzoeksbureaus juist een streng kwaliteitsstelsel hanteren, inclusief het door Hamer gewenste keurmerk.’

    De Nederlandse Veiligheidsbranche bereidt een uitgebreide reactie voor op de aanbevelingen van Hamer. Die reactie verschijnt binnenkort.

  • Nederlandse Veiligheidsbranche publiceert nu ook onderzoeksprotocol ‘fraude’

    Nederlandse Veiligheidsbranche publiceert nu ook onderzoeksprotocol ‘fraude’

    Voorburg, 8 oktober 2024 – Organisaties die in opdracht onderzoek doen naar fraude en organisaties die onderzoek willen laten doen, kunnen nu gebruik maken van het Onderzoeksprotocol Fraude. Het is in korte tijd de tweede handleiding van de Nederlandse Veiligheidsbranche voor onderzoek binnen een organisatie. Het eerste, Onderzoeksprotocol Grensoverschrijdend Gedrag In Werksituaties, verscheen twee weken geleden.

    In het document schetst de Nederlandse Veiligheidsbranche hoe onderzoek naar mogelijke fraude kan worden uitgevoerd met inachtneming van de belangen van alle betrokkenen. De handleiding geeft zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers – gecertificeerde particuliere onderzoeksbureaus – inzicht in de wettelijke vereisten rond dergelijk onderzoek en schetst een ideale werkwijze. Voor opdrachtgevers kan het document een handreiking zijn om de keuze voor een onderzoeksbureau te bepalen en te onderbouwen.

    Volgens voorzitter Ard van der Steur van de Nederlandse Veiligheidsbranche helpen de beide onderzoeksprotocollen om de kwaliteit van dergelijk onderzoek op het gewenste, hoge niveau te houden. Vooral opdrachtgevers krijgen meer inzicht in onderzoeksmethoden, gevoeligheden en mogelijke gevolgen van onderzoek. ‘Daardoor zullen ze veel beter in staat zijn de juiste vragen te stellen aan een onderzoeksbureau en de consequenties te overzien. Dat maakt dat onderzoeksbureaus scherp en zorgvuldig kunnen werken en een rapport kunnen leveren dat rekening houdt met en recht doet aan alle betrokkenen,’ aldus Van der Steur.’

  • Onderzoek doen naar grensoverschrijdend gedrag? Gebruik het protocol!

    Onderzoek doen naar grensoverschrijdend gedrag? Gebruik het protocol!

    Onderzoek doen naar grensoverschrijdend gedrag? Gebruik het protocol!

    Voorburg, 24 september 2024 – Organisaties die in opdracht onderzoek doen naar grensoverschrijdend gedrag in werksituaties kunnen gebruik maken van het onderzoeksprotocol Onderzoek grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer van de Nederlandse Veiligheidsbranche. Dat onderzoeksprotocol is onlangs verschenen.

    In het protocol schetst de Nederlandse Veiligheidsbranche hoe het vaak zeer gevoelig liggende onderzoek naar ongewenst gedrag op de werkvloer zorgvuldig en oblectief kan worden uitgevoerd met inachtneming van de belangen van alle betrokkenen. De handleiding geeft zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers – particuliere onderzoeksbureaus – inzicht in de wettelijke vereisten rond dergelijk onderzoek en schetst een ideale werkwijze. Vooral geeft het opdrachtgevers een handreiking om de keuze voor een onderzoeksbureau te onderbouwen.

    Voorzitter Ard van der Steur van de Nederlandse Veiligheidsbranche denkt dat het protocol kan bijdragen aan beter inzicht in onderzoek naar ongewenst gedrag. ‘Onderzoek naar ongewenst gedrag is niet zo maar iets. Betrokkenen kunnen heel kwetsbaar zijn. Het is daarom van het grootste belang dat de kwaliteit van het onderzoek van het hoogste niveau is. In de praktijk betekent dat toch veelal een keuze voor een wettelijk erkend onderzoeksbureau. Op dit ogenblik zijn zij eigenlijk de enige die de vereiste zorgvuldigheid en objectiviteit in acht kunnen nemen. Goede onderzoeksbureaus beschikken niet voor niets over een kwaliteitskeurmerk.’

  • Onderzoeksbureaus kunnen prima helpen bij opsporen gevluchte criminelen

    Onderzoeksbureaus kunnen prima helpen bij opsporen gevluchte criminelen

    Onderzoeksbureaus kunnen prima helpen bij opsporen gevluchte criminelen

    Gorinchem, 17 december 2019 – Bij het opsporen van criminelen die nog een gevangenisstraf moeten uitzitten, kan justitie heel goed gebruik maken van de diensten van particuliere onderzoeksbureaus. Dit blijkt volgens de Nederlandse Veiligheidsbranche uit een pilot met zo’n onderzoeksbureau, waarbij van 11 personen de vermoedelijke woon- of verblijfplaats in het buitenland werd achterhaald.

    Nederlandse Veiligheidsbranche positief over pilot

    De pilot vond in 2018 en 2019 plaats in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid en werd (na een aanbesteding) uitgevoerd door onderzoeksbureau Pinkerton. De vraag was om van 25 voortvluchtige personen, die nog een gevangenisstraf van minimaal 120 dagen moesten uitzitten, het vermoedelijke adres in het buitenland te achterhalen.
    Met deze adressen (en een positieve ID-verificatie) zouden buitenlandse autoriteiten veroordeelden kunnen aanhouden. Afgesproken was dat de onderzoekers uitsluitend gebruik mochten maken van publiek toegankelijke bronnen. Bovendien moest ter wille van een rechtmatige aanhouding goed beschreven worden op welke manier een adres was achterhaald.

    Van de veroordeelden werd door justitie verondersteld dat ze zich ophielden in verschillende Europese landen. Pinkerton is langs twee lijnen op zoek gegaan naar hun waarschijnlijke woon- of verblijfplaats. Ten eerste is door data-analisten gezocht via officiële bekendmakingen van buitenlandse overheden, zoekmachines, sociale media, publiek toegankelijke websites, openbare telefoongidsen en handelsinformatie. Deze methode bleek niet het meest effectief.
    De tweede onderzoekslijn, het inschakelen door Pinkerton van lokale partners, leverde meer resultaten op. Lokale onderzoeksbureaus zijn vaak goed op de hoogte van specifieke omstandigheden en mogelijkheden in een land. Zo werden in Frankrijk de vermoedelijke adresgegevens van drie veroordeelden opgespoord omdat de Belastingdienst deze informatie van de ene belastingplichtige op aanvraag beschikbaar stelt aan een andere belastingplichtige. Een vierde adres werd in Frankrijk via het kadaster achterhaald. Adressen van andere veroordeelden werden opgespoord in Polen (3), Roemenië (3) en Bulgarije (1).

    De Nederlandse Veiligheidsbranche vindt een steekproef van 25 personen weliswaar klein, maar noemt een score van 11 vermoedelijke adressen toch “zeer hoopgevend”. Hiermee is overigens niet met zekerheid vast te stellen of de betrokken personen ook daadwerkelijk op het gevonden adres woonden of tijdelijk verbleven omdat het de onderzoekers niet was toegestaan ter plaatse te gaan kijken. Justitie heeft niet bekendgemaakt of de 11 veroordeelden ook feitelijk zijn aangehouden.

    Aanbevelingen
    Op basis van de pilot doet Pinkerton enkele aanbevelingen voor een mogelijk vervolg. Ten eerste stelt het bureau dat het niet in alle landen zinvol is op deze manier op zoek te gaan naar voortvluchtige veroordeelden. Sommige landen hebben zo weinig openbare bronnen waarin persoonsgegevens te vinden zijn, dat zulk onderzoek al bij voorbaat weinig kans heeft. “Wij hebben vooraf met het ministerie afgesproken dat onderzoek uitsluitend op basis van nationale wetgeving zou worden uitgevoerd”, zegt Koos Schoonbeek, directeur van Pinkerton.
    Verder is een conclusie dat de beschikbaarheid van een recente foto van een veroordeelde de kans op succes aanzienlijk vergroot. Bij deze pilot was van 10 van de 25 personen géén foto beschikbaar, wat de identificatie heeft bemoeilijkt en van deze 10 slechts 1 adres heeft opgeleverd.
    De effectiviteit kan ook vergroot worden door het speurwerk te richten op landen waar op basis van de pilot blijkt dat de opsporingsmethodiek relatief eenvoudig en tegen geringe kosten kan. Als de opsporingsmethodiek erkend wordt, kan waarschijnlijk ook het meest efficiënt samengewerkt worden met de justitiële autoriteiten in het betreffende land.

    Verder concludeert het onderzoeksbureau dat het verstandig kan zijn veroordeelden zelf tijdig formeel toestemming te vragen voor het verwerken van hun persoonsgegevens, bijvoorbeeld als voorwaarde voor vervroegde invrijheidstelling. Daarmee kan mogelijk voorkomen worden dat persoonlijke gegevens niet aangenomen en verwerkt mogen worden vanwege privacyregelgeving in andere EU-landen.

    Het ministerie van Justitie en Veiligheid is tevreden over het verloop van de pilot en over de resultaten. Het zegt niet uit te sluiten dat in de toekomst vaker van particuliere onderzoeksbureaus gebruik zal worden gemaakt. Minister Sander Dekker voor Rechtsbescherming heeft enige tijd geleden een programma ‘Onvindbare veroordeelden’ geïntroduceerd, waarmee hij een impuls wil geven aan de effectieve tenuitvoerlegging van straffen.

    Het idee om de pilot met een particulier onderzoeksbureau te houden kwam van de Nederlandse Veiligheidsbranche, de brancheorganisatie voor bedrijven op het gebied van particuliere beveiliging, recherche en geld- en waardetransport.
    Voorzitter Ard van der Steur heeft er recent voor gepleit om taken van politie en justitie waarvoor geen gezagsbevoegdheden of bewapening nodig zijn, vaker uit te besteden aan particuliere beveiligingsorganisaties met het Keurmerk Beveiliging. Hij denkt daarbij aan zorg voor arrestanten, baliewerk, het verwerken van aangiftes, het opstellen van meetapparatuur voor snelheidsmetingen, alcoholcontroles, maar bijvoorbeeld ook het opsporen van veroordeelden met een openstaande straf.
    “Op die manier kunnen politie en justitie zich focussen op taken waarvoor wel speciale bevoegdheden nodig zijn”, aldus Van der Steur, “en leveren we gezamenlijk een optimale bijdrage aan veiligheid en rechtsbescherming.”