Tag: wetgeving

  • Biedt de Belgische overheid het goede voorbeeld?

    Biedt de Belgische overheid het goede voorbeeld?

    Biedt de Belgische overheid het goede voorbeeld?

    Gorinchem, 30 mei 2025 – De wijze waarop de Belgische overheid vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen de beveiligingssector uitvoert, biedt weinig aanknopingspunten om na te volgen.  De Belgische wetgeving met aandacht voor publiek-private samenwerking is wel interessant. Dat waren de conclusies van de strategiesessie van het bestuur van de Nederlandse Veiligheidsbranche, eind mei.

    Gastspreker tijdens de strategiesessie was directeur Filip Smeets van Arxia, de Belgische brancheorganisatie voor beveiligingsbedrijven. Deze sterke zusterorganisatie van de Nederlandse Veiligheidsbranche en prominent lid van de Europese branchevereniging CoESS, loopt tegen uitvoeringsproblemen aan die erg lijken op die in Nederland.

    Smeets vertelde over de sterke groei van zijn eigen organisatie, maar ook over de Belgische praktijk van vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen de beveiligingssector. Die is in België georganiseerd via het ministerie van Binnenlandse Zaken, terwijl in Nederland Justitie en Politie de uitvoerende instanties zijn. Maar waar het georganiseerd wordt, is niet zo relevant, zo bleek uit de schets van Smeets. Ook in België gaan processen over vele schijven en is er veel oponthoud.

    Daartegenover bestaat in België veel aandacht in de wetgeving voor de kracht van publiek private samenwerking. Ook worden er stevige eisen gesteld aan overheidsvergoedingen voor beveiligingsbedrijven om de kwaliteit van de dienstverlening niet onder druk te zetten.

    ‘Qua wetgeving kunnen we van de Belgen leren, maar de wijze van uitvoering biedt weinig aanknopingspunten om na te volgen. Het lijkt op wat ook in Nederland te stroef gaat’, was de breed gedeelde conclusie van de vergadering. ‘Ook in België kunnen een aantal tussenstappen worden weggesneden om bijvoorbeeld vergunningverlening te versnellen zonder dat de kwaliteit van de besluitvorming er onder lijdt.’

    Het optreden van Smeets vond plaats in het kader van een programma van de Nederlandse Veiligheidsbranche om te verkennen hoe in omringende landen zaken betreffende beveiliging zijn geregeld met als uiteindelijk daarvan te leren en eventueel na te volgen.

    Tijdens de vergadering van het bestuur werd ook kennis gemaakt met Dity Mudde en Jasper Haarts van het BOA Netwerk Nederland als eerste verkenning voor mogelijkheden tot samenwerking.

  • WPBR: langzaam in de goede richting

    WPBR: langzaam in de goede richting

    Gorinchem, 26 maart 2025 – Realisatie van een vernieuwde wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus, de WPBR, komt met kleine stapjes dichterbij. Op het Ministerie van Veiligheid en Justitie wordt momenteel de laatste hand gelegd aan een nieuwe conceptwettekst nadat alle belanghebbende suggesties voor verbetering van het eerdere concept hadden gedaan. Binnen nu en enkele maanden wordt het wetsvoorstel aangeboden voor een zogenoemde internetconsultatie waarbij personen en organisaties hun mening over het voorstel kunnen geven.

    Dat meldt het ministerie in reactie op navraag door de Nederlandse Veiligheidsbranche. De WPBR is voor de veiligheidsbranche verreweg de belangrijkste wet. Modernisering van de wet staat hoog op de verlanglijst van zowel de Nederlandse Veiligheidsbranche als uitvoerende diensten als de politie. De vernieuwing van de wet loopt al enige jaren.

    De Nederlandse Veiligheidsbranche zegt blij te zijn met de voortgang, maar blijft benadrukken dat het proces veel tijd in beslag neemt. ‘We gaan langzaam in de goede richting, maar het mag best iets sneller,’ stelt de vereniging.

  • Nieuwe eisen voor havenbeveiligers

    Nieuwe eisen voor havenbeveiligers

    Gorinchem, 31 oktober 2023 – Havenbeveiligers en veiligheidsbeambten krijgen vanaf 1 januari 2024 te maken met nieuwe opleidingseisen. Zij moeten een centraal examen afleggen bij de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties (SVPB). Het doel hiervan is om de kwaliteit van de beveiliging in havengebieden te verzekeren.  

    Dit staat in de nieuwe havenbeveiligingswet die op 1-1-24 ingaat. Dit zijn de belangrijkste wijzigingen:

    • Centraal examen bij de SVPB vanaf 1 januari 2024
    • Geen certificering meer via erkende opleiders
    • Bij het behaalde certificaat hoort een geldigheidsdatum
    • Ook centraal examen voor veiligheidsbeambten
    • Voor havenbeveiligers die 63,5 jaar oud zijn op het moment dat de Havenbeveiligingswet ingaat (1 januari 2024) wordt een uitzondering gemaakt. Zij hoeven niet opnieuw examen te doen als hun certificaat verlopen is.
  • Nederlandse Veiligheidsbranche schrijft eigen nieuw wetsvoorstel

    Nederlandse Veiligheidsbranche schrijft eigen nieuw wetsvoorstel

    Nederlandse Veiligheidsbranche schrijft eigen nieuw wetsvoorstel

    Tilburg, 2 mei 2023 – De Nederlandse Veiligheidsbranche heeft zelf een nieuwe versie geschreven van de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus, de WPBR. Het ‘wetsvoorstel’ is aangeboden aan het ministerie van Justitie en Veiligheid.

    De WPBR is voor de Veiligheidsbranche verreweg de belangrijkste wet. Modernisering van de wet staat hoog op de verlanglijst van alle betrokkenen, inclusief die van minister Yeşilgöz-Zegerius van Justitie en Veiligheid. Tijdens de gezamenlijke nieuwjaarsbijeenkomst van de Nederlandse Veiligheidsbranche, de Federatie Veilig Nederland en de Vereniging Erkende Beveiligingsbedrijven zegde zij toe snelheid te zullen maken met de wetsaanpassing. De door de Nederlandse Veiligheidsbranche ontworpen tekst is een poging haar te assisteren.

    De ‘wetstekst’ van de Nederlandse Veiligheidsbranche stelt een aantal opvallende wijzigingen van de WPBR voor. De invoering van een persoonsgebonden toestemming om werk als beveiliger uit te voeren – en de daarbij behorende persoonlijke legitimatiepas – is een lang gekoesterde wens van de sector. In de huidige praktijk wordt toestemming aan een bedrijf verleend door de politie, maar omdat personeelsbestanden sneller wijzigen en bedrijven onderling mensen bij elkaar inlenen, moet steeds weer opnieuw toestemming worden geregeld. Een persoonsgebonden toestemming kan de bedrijfsvoering veel doelmatiger maken zonder de kwaliteit van het werk te verminderen.

    Verder voorziet het wetsvoorstel onder meer in ruimere mogelijkheden om private beveiligingsbedrijven in te zetten in de publieke ruimte. Dat zou een formalisering betekenen van de in de afgelopen decennia ontstane situatie waarin private bedrijven bijvoorbeeld gemeenten ondersteunen.

  • Nederlandse Veiligheidsbranche blij met hernieuwde aandacht voor verouderde wetgeving

    Nederlandse Veiligheidsbranche blij met hernieuwde aandacht voor verouderde wetgeving

    Nederlandse Veiligheidsbranche blij met hernieuwde aandacht voor verouderde wetgeving

    Tilburg, 19 januari 2023 – De Nederlandse Veiligheidsbranche is blij met de hernieuwde aandacht voor de noodzaak om de wetgeving voor de beveiligingssector te vernieuwen. Daarbij gaat het met name om de WPBR, de ‘overkoepelende’ wet voor de beveiligingsbedrijven en recherchebureaus.

    minister Dilan Yeşilgöz-Zegerius op de gezamenlijke nieuwjaarsbijeenkomst 2023

    De Nederlandse Veiligheidsbranche reageert daarmee op uitspraken van een onderzoeker die in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid de samenwerking tussen particuliere bedrijven en de politie onderzocht. Dat rapport verscheen vorig jaar.

    Uit het rapport blijkt dat het toezicht op de samenwerking tekort schiet door capaciteitsgebrek bij verschillende diensten en door verouderde wetgeving. De Nederlandse Veiligheidsbranche dringt al langer aan op modernisering van de wet- en regelgeving. Onlangs zei minister Dilan Yeşilgöz-Zegerius van Veiligheid en Justitie dat betere wetgeving een van haar prioriteiten is.

  • ‘Moderniseer Wpbr en verbeter toezicht en handhaving door de politie’

    ‘Moderniseer Wpbr en verbeter toezicht en handhaving door de politie’

    ‘Moderniseer Wpbr en verbeter toezicht en handhaving door de politie’

    Gorinchem, 11 mei 2022 – De Nederlandse Veiligheidsbranche roept op om door te pakken met modernisering van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) en pleit opnieuw voor verbetering van toezicht en handhaving van die wet door de politie. Dat doet de branchevereniging in voorbereiding op een debat van de vaste kamercommissie voor Justitie en Veiligheid over de politie. Het recente rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over falend toezicht op particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus staat prominent op de agenda.  

    “De Inspectie Justitie en Veiligheid heeft nu drie keer op rij geconstateerd dat het toezicht door politie op de verouderde Wpbr onvoldoende is”, zegt voorzitter Ard van der Steur namens de Nederlandse Veiligheidsbranche. “Investeer in een efficiënt en betrouwbaar systeem voor vergunningsverlening en geef politie de ruimte om daar effectief toezicht omheen te organiseren.”  

    In een brief aan benoemde kamercommissie pleit de Nederlandse Veiligheidsbranche voor modernisering van de wet, coördinatie vanuit één centraal aanspreekpunt op het ministerie, verbetering op het gebied van vergunningsverlening én verbetering op toezicht en handhaving van de Wpbr door de politie.

    De Nederlandse Veiligheidsbranche is zich bewust van de omvangrijke taak waar de politie voor staat, komt met concrete voorstellen en pleit voor meer en betere samenwerking die kan helpen deze taak uitvoerbaar te houden. De huidige Minister van Justitie en Veiligheid heeft een visie op publiek-private samenwerking tussen de politie en de veiligheidsbranche toegezegd voor het zomerreces.

  • Nederlandse Veiligheidsbranche blij met extra geld voor veiligheid

    Nederlandse Veiligheidsbranche blij met extra geld voor veiligheid

    Nederlandse Veiligheidsbranche blij met extra geld voor veiligheid

    De Nederlandse Veiligheidsbranche is blij dat het demissionaire kabinet in de Miljoenennota 524 miljoen euro extra uittrekt voor de aanpak van ondermijning en criminaliteitsbestrijding. In een eerste reactie op de kabinetsplannen zegt de branchevereniging begrip te hebben voor het feit dat het kabinet in de huidige omstandigheden met een ‘beleidsarme’ begroting is gekomen.

    De Nederlandse Veiligheidsbranche zegt wel te hopen dat kabinet en Tweede Kamer de komende tijd echt werk gaan maken van het versterken van de publiek-private samenwerking tussen overheid (politie) en particuliere beveiligingsbedrijven. In de begroting wordt structureel geld vrijgemaakt voor de Platforms Veilig Ondernemen, waarin politie, justitie, gemeenten, brancheorganisaties en de ondernemers samenwerken aan veiligheidsproblemen. Daar moet het echter niet bij blijven: “Goede tools om preventief te kunnen acteren tegen criminaliteit, zoals informatie-uitwisseling, blijven een punt van aandacht.”

    Verder roept de branche kabinet en Kamer op om nu echt haast te maken met vernieuwing van de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (Wpbr), die uit 1997 dateert en zodanig verouderd is dat zowel de politie als beveiligingsbedrijven er veel last van hebben. Zoals het er nu uitziet, zal de nieuwe Wpbr in 2022 worden ingediend bij de Tweede Kamer.

  • Internetconsultatie Havenbeveiligingswet

    Internetconsultatie Havenbeveiligingswet

    Internetconsultatie Havenbeveiligingswet

    Gorinchem, 28 augustus 2020 – In de zomer hebben we u om een reactie gevraagd ten behoeve van de internetconsultatie door het ministerie van I&M inzake de wijziging van de Havenbeveiligingswet.

    Met deze wijziging wordt de centrale examinering van de havenbeveiligingsopleiding geregeld. Daarnaast wordt de verplichting ingevoerd dat havenbeveiligers elke 5 jaar opnieuw geëxamineerd worden. Tevens wordt duidelijker de link gelegd met de Wpbr, wat een level playing field zeer ten goed komt.

    Vanuit de paritaire stuurgroep Opleiden van het Sociaal Fonds Particuliere beveiliging is gisteren bijgevoegde reactie (inclusief reactie werkgevers)  ingediend.

  • Taakstraf volstaat niet meer bij geweld tegen beveiligers

    Taakstraf volstaat niet meer bij geweld tegen beveiligers

    Taakstraf volstaat niet meer bij geweld tegen beveiligers

    Gorinchem, 16 juli 2020 – Wie geweld pleegt tegenover een beveiliger, komt niet meer weg met een taakstraf. De Nederlandse Veiligheidsbranche is blij met dit voorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, dat minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer heeft voorgesteld. Doel van het voorstel is iedereen die een publieke taak uitoefent beter te beschermen tegen fysiek geweld.

    “Deze personen werken voor de publieke zaak in de frontlinie en stellen zich maximaal dienstbaar op aan de samenleving”, zo schrijft de minister aan de Tweede Kamer. “Zij handhaven de orde, treden op onder gevaarlijke omstandigheden en verlenen hulp aan mensen in nood. Voor hen is terugtreden bij geweldpleging vaak niet goed mogelijk, niet in de laatste plaats omdat hun taakuitoefening juist handelend optreden vereist.”

    Ard van der Steur, voorzitter van de Nederlandse Veiligheidsbranche, heeft er vorig jaar voor gepleit beveiligers dezelfde bescherming te geven als bijvoorbeeld ambulancemedewerkers, brandweerlieden en politiemensen. Dat gebeurt nu met dit aangepaste wetsvoorstel.

    Bij geweld tegen beveiligers kan de rechter straks niet meer volstaan met het opleggen van een ‘kale taakstraf’, dat wil zeggen een straf die niet wordt gecombineerd met een andere vrijheidsbenemende sanctie. “Terecht”, zo meent Van der Steur. “Onze 30.000 beveiligers verdienen rechtvaardige bescherming tegen geweldplegers.”

    Het voorstel van de minister wordt van kracht als het parlement daarmee heeft ingestemd.

  • Let op: per 1 januari 2020 gelden nieuwe regels voor de WW-premies

    Let op: per 1 januari 2020 gelden nieuwe regels voor de WW-premies

    Let op: per 1 januari 2020 gelden nieuwe regels voor de WW-premies

    De regels voor WW-premies veranderen als gevolg van de invoering van de Wet Arbeidsmarkt in Balans per 1 januari 2020.

    Voor de WW-premies gaat een hoog tarief en een laag tarief gelden. Mensen met een contract voor bepaalde tijd vallen onder het hoge tarief, vaste medewerkers onder het lage tarief. Maar ontvangt een parttime medewerker binnen een jaar 30 procent meer salaris, dan krijgt de werkgever met terugwerkende kracht alsnog het hoge WW-tarief toegerekend.Nieuw is ook dat op de loonstrook moet worden vermeld welk contract een medewerker heeft: is de overeenkomst voor onbepaalde tijd of bepaalde tijd? U hebt er baat bij dit goed te regelen, want bij een vast contract gaat het lage WW-tarief gelden. Het is dus extra belangrijk om de salarisadministratie goed op orde te hebben. 

    1. Wanneer betaalt de werkgever de lage WW-premie?
    De hoofdregel is dat de werkgever de lage WW-premie betaalt voor werknemers die werkzaam zijn op basis van een vast contract, dat wil zeggen een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die geen oproepovereenkomst is. Er is sprake van een oproepovereenkomst:
    • wanneer de omvang van de arbeid niet is vastgelegd in een aantal uren per tijdseenheid van maximaal een maand;
    • wanneer de omvang van de arbeid niet is vastgelegd in een aantal uren per tijdseenheid van maximaal een jaar waarbij het loon gelijkmatig over het jaar is gespreid; of
    • wanneer de werknemer op grond van artikel 7:628 lid 5 of artikel 7:691 lid 7 BW (uitsluiting van de loondoorbetalingsplicht) geen recht heeft op het naar tijdruimte vastgestelde loon, indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht.

    De werknemer heeft bij een oproepovereenkomst geen zekerheid over het aantal te werken uren en het loon. Een min-max-contract valt ook onder het begrip oproepovereenkomst omdat een werknemer geen zekerheid heeft over de uit te betalen uren per maand, want het aantal gewerkte uren kan variëren binnen de bandbreedte van het contract. Dit geldt ook voor een nul-urencontract. 

    De wetgever heeft er rekening mee gehouden dat het – in sectoren die sterk afhankelijk zijn van seizoensarbeid – niet altijd mogelijk is om met werknemers een vast contract met een vaste arbeidsomvang per week of maand overeen te komen.
    Daarom maakt de WAB het mogelijk om ook de lage WW-premie te betalen voor schriftelijke contracten voor onbepaalde tijd waarbij de arbeidsomvang per jaar overeen is gekomen, mits het recht op loon gelijkmatig over het jaar is gespreid (de zogenoemde jaarurennorm).
    Voor alle gevallen waarin niet aan de voorwaarden voor de lage WW-premie wordt voldaan, geldt de hoge WW-premie. Dat is onder andere het geval bij een oproepovereenkomst, een overeenkomst voor bepaalde tijd of bij een arbeidsovereenkomst die niet schriftelijk is overeengekomen. Zie voor uitzonderingen op de hoofdregel vraag 7.

    2. Welke premie betaalt de werkgever als er wel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is, maar geen schriftelijke arbeidsovereenkomst?
    Als er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is gesloten, dan wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor de lage WW-premie. (behoudens de uitzonderingen die hieronder bij vraag 4 worden behandeld). De werkgever is dan de hoge WW-premie verschuldigd. 

    Als een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten en die van rechtswege overgaat in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder dat de schriftelijke arbeidsovereenkomst is aangepast aan de nieuwe situatie, dan is de werkgever ook de hoge WW-premie verschuldigd. De werkgever is verplicht om op de loonstrook te vermelden of er een schriftelijke arbeidsovereenkomst is overeengekomen en in de loonaangifte met een indicatie ja/mee aan te geven of er sprake is van een schriftelijke arbeidsovereenkomst.

    Via het digitaal verzekeringsbericht van UWV kan de werknemer controleren of de aard van het contract juist in de loonaangifte is opgenomen.

    3. Wanneer betaalt de werkgever de hoge WW-premie?
    Voor alle gevallen, met uitzondering van de uitzonderingen die bij vraag 4 worden benoemd, waarin niet aan de voorwaarden van de lage WW-premie (schriftelijk, onbepaalde tijd en geen oproepovereenkomst) wordt voldaan, geldt de hoge WW-premie.


    Dit geldt dus voor alle flexibele dienstverbanden. Daaronder vallen werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, maar ook uitzendkrachten die een uitzendovereenkomst hebben met een uitzendbeding.

    De hoge WW-premie is ook van toepassing bij een fictieve dienstbetrekking. Een fictieve dienstbetrekking voldoet voor toepassing van de lage WW-premie namelijk niet aan het vereiste dat sprake is van een dienstbetrekking zoals bedoeld in artikel 3 WW die steunt op de arbeidsovereenkomst (artikel 7:610 BW). Daarnaast betaalt de werkgever ook de hoge WW-premie voor oproepkrachten die werkzaam zijn op basis van een oproepovereenkomst.

    4. Wat zijn de uitzonderingen op het betalen van de lage of hoge WW-premie?
    Er zijn drie situaties waarin de werkgever altijd de lage WW-premie mag betalen.

    a) Als een werkgever met een BBL-leerling een praktijkovereenkomst sluit en die voorziet van dagtekening en in de administratie opneemt, dan mag de werkgever de lage WW-premie betalen als de werkgever ook een arbeidsovereenkomst met de BBL-leerling heeft. BBL staat voor Beroeps Begeleidende Leerweg. Dit is een onderwijsvorm waarbij de leerlingen werkend leren. De leerling gaat meestal één dag in de week naar school, de andere vier dagen werkt hij bij een erkend leerbedrijf.

    De praktijkovereenkomst kan dus gepaard gaan met een arbeidsovereenkomst doordat beide overeenkomsten door partijen worden gesloten of doordat uit de aard van de feitelijk te verrichten activiteiten en de verhouding waarbinnen die activiteiten worden verricht ook sprake is van een arbeidsovereenkomst.

    b) De werkgever betaalt ook de lage WW-premie als een arbeidsovereenkomst is gesloten met een werknemer jonger dan 21 jaar, die maximaal 48 uur per aangiftetijdvak van vier weken of 52 uur per aangiftetijdvak van een kalendermaand loon heeft gekregen. De situatie kan zich voordoen dat de werkgever het ene aangiftetijdvak de lage WW-premie en het andere aangiftetijdvak de hoge WW-premie – namelijk waarin meer dan 48 of 52 uren verloond zijn – moet betalen voor een jongere onder de 21 jaar.

    Voor de toets aan de leeftijd van 21 jaar is de leeftijd van belang die de werknemer had op de eerste dag van het betreffende aangiftetijdvak van vier weken of een maand. Als de werknemer op de eerste dag van het aangiftetijdvak nog niet in dienst was, dan geldt de leeftijd van de werknemer op de eerste dag van de dienstbetrekking.

    c) De werkgever betaalt over uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen (WW, ZW, WIA, WAO, WAZO) de lage WW-premie. Dit is zowel het geval als UWV de uitkering rechtstreeks aan de werknemer betaalt als wanneer de werkgever de uitkering van UWV ontvangt en aan de werknemer doorbetaalt (dit wordt een werkgeversbetaling genoemd) of als de werkgever eigenrisicodrager is en de uitkering zelf betaalt.

    5. Kan de lage WW-premie worden herzien waardoor de werkgever alsnog de hoge WW-premie is verschuldigd?
    In een aantal situaties moet de werkgever de lage WW-premie herzien. Hiervoor is de werkgever zelf verantwoordelijk. De werkgever is in eerste instantie de lage WW-premie verschuldigd. Als één van de herzieningssituaties zich voordoet, is de werkgever verplicht om met terugwerkende kracht de hoge WW-premie te betalen. De hoge WW-premie is dan alsnog met terugwerkende kracht verschuldigd. 

    De hoogte van de herziening is het verschil tussen enerzijds de premies die de werkgever zou hebben betaald als hij gedurende de voorafgaande twaalf maanden (of = als de arbeidsovereenkomst korter heeft geduurd – over de gehele duur van de arbeidsovereenkomst) de hoge premie had betaald, en anderzijds de premies die de werkgever reeds heeft betaald. Een herziening heeft dus betrekking op een periode van maximaal twaalf maanden. Als een herziening betrekking heeft op perioden in twee kalenderjaren, moet voor elk respectievelijk kalenderjaar worden gerekend met de premies die in dat jaar van toepassing waren.

    Vanaf 1 januari 2020 gelden twee herzieningssituaties:

    a) Wanneer de dienstbetrekking uiterlijk twee maanden na aanvang eindigt. De reden van de beëindiging van de dienstbetrekking is hiervoor niet relevant. Hieronder valt ook de situatie waarin de dienstbetrekking precies twee maanden heeft geduurd.

    b) Wanneer de uren waarover loon wordt betaald (de verloonde uren) de contractuele overeengekomen uren (de contracturen) met meer dan 30 procent overstijgen in de loonaangifte over het betreffende kalenderjaar. Deze bepaling is niet van toepassing als de werknemer in het kalenderjaar bij de werkgever één of meer dienstbetrekkingen heeft waarop de werkgever de lage WW-premie mag toepassen waarbij in deze dienstbetrekking(en) gemiddeld een arbeidsomvang van minimaal 35 uur per week is overeengekomen (voltijds volgens de definitie van het Centraal Bureau voor de Statistiek).
    Deze bepaling voorkomt dat vaste contracten worden aangegaan met een (zeer) beperkt aantal vaste uren en in de praktijk structureel overwerk wordt ingezet als flexibele arbeid en wordt berekend over de loonaangiftegegevens van een bepaald kalenderjaar. Om te berekenen of deze situatie op een werknemer van toepassing is, wordt de verhouding tussen het totaal aantal verloonde uren en de totale overeengekomen uren in de arbeidsovereenkomsten in het kalenderjaar berekend.