Categorie: EHB

Evenementen en horecabeveiliging

  • Volop werk in de beveiliging, maar weinig mensen beschikbaar

    Volop werk in de beveiliging, maar weinig mensen beschikbaar

    Volop werk in de beveiliging, maar weinig mensen beschikbaar

    Gorinchem, 30 januari 2020 – Het personeelstekort in de beveiliging is in korte tijd flink opgelopen. Dit blijkt uit het vandaag gepubliceerde UWV-rapport over beveiligingsberoepen. Het gaat om functies als objectbeveiliger, buitengewoon opsporingsambtenaar, surveillant en verkeersregelaar. Omdat weinig mensen kiezen voor een baan in de beveiliging, proberen werkgevers personeel aan zich te binden met scholing en gunstigere contracten.

    Lees hier de factsheet

    Hoewel het aantal vacatures voor beveiligingsfuncties al jaren stijgt, ontstonden de personeelstekorten pas in 2018. Vooral werkgevers in het midden en zuiden van Nederland hebben moeite om hun vacatures te vervullen. Ruim de helft van de beveiligingsbedrijven ervaart inmiddels problemen als gevolg van de krapte op de arbeidsmarkt. Momenteel werken ongeveer 64 duizend mensen in een beveiligingsberoep.

    Concurrentie en vergrijzing

    Er zijn diverse oorzaken voor het personeelstekort in beveiligingsberoepen. Allereerst zijn er te weinig gediplomeerde beveiligers. Voor kandidaten die wel beschikbaar zijn, moeten werkgevers concurreren met andere veiligheidssectoren, zoals politie en defensie. Ook speelt de vergrijzing van de beroepsgroep een rol, waardoor veel werknemers binnen nu en een paar jaar stoppen met werken.

    Beroepen veranderen

    Tegelijkertijd ziet UWV dat de functie-eisen voor beveiligingsberoepen veranderen. Er worden aanvullende vaardigheden gevraagd. Zo worden beveiligingstaken steeds vaker gecombineerd met bijvoorbeeld receptiewerkzaamheden. Dat vraagt om een servicegerichte houding. Ook beheersing van de Engelse taal en digitale vaardigheden worden belangrijker.

    Meer vaste contracten

    De personeelstekorten zorgen langzaam maar zeker voor een verschuiving van het type arbeidscontract. Nog altijd heeft een derde van de werknemers een flexibel contract, maar er worden ook steeds meer vaste contracten aangeboden. Het aantal oproepcontracten neemt af en de omvang van het aantal uren neemt toe. Inmiddels werkt bijna 60% van het beveiligingspersoneel voltijds.

    Baankansen en scholing

    Door de personeelstekorten ontstaan er baankansen voor mensen die interesse hebben in beveiligingsberoepen. Bedrijven zetten zich steeds vaker in om zij-instromers op te leiden. Afhankelijk van het beroep varieert het instroomniveau en de opleidingsduur. UWV organiseert samen met opleiders en werkgevers trajecten om mensen op te leiden voor beveiligingsberoepen. Een voorbeeld is de samenwerking van UWV met Security Professionals.

  • Beveiligingsbedrijven bezorgd over groot aantal evenementen

    Beveiligingsbedrijven bezorgd over groot aantal evenementen

    Gorinchem, 16 januari 2020 – Particuliere beveiligingsbedrijven maken zich zorgen over de sterke toename van het aantal festivals en andere evenementen in Nederland. Aan het begin van een nieuw jaar (met tal van nieuwe evenementen) wil de Nederlandse Veiligheidsbranche daarom in gesprek met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de politie en met de organisatoren, verenigd in de Vereniging van Evenementenmakers.

    Alle Nederlandse gemeentebesturen hebben hierover inmiddels een brief ontvangen van Ard van der Steur, voorzitter van de Nederlandse Veiligheidsbranche. Deze branchevereniging vertegenwoordigt 90 procent van de werkgelegenheid in de sector.

    “Wij voorzien toenemende risico’s voor de beveiliging van deze evenementen en zijn bezorgd of betrokkenen bij deze evenementen voldoende zicht hebben op de kwaliteit van beveiliging en samenwerking met politie en andere overheden”, zo schrijft Van der Steur. “Daarenboven wordt beveiliging vaak als sluitpost gezien, terwijl de veiligheid van bezoekers prioriteit behoort te hebben.”

    Vorig jaar werden voor het eerst meer dan 1.000 festivals gehouden in Nederland en in 2020 zullen dat er niet minder zijn. Nieuwe evenementen zijn dit jaar de Formule 1 in Zandvoort, het Eurovisie Songfestival in Rotterdam, de Invictus Games in Den Haag en Sail Amsterdam. De veiligheidsbranche heeft, net als de politie te maken met krapte aan personeel, en wordt (als gevolg van de Wet Arbeidsmarkt in Balans) sinds 1 januari bovendien geconfronteerd met hogere kosten voor de inhuur van beroepskrachten. Opdrachtgevers doen er verstandig aan goed naar de kwaliteit van het in te huren beveiligingsbedrijf te kijken, aldus Van der Steur. Het Keurmerk Beveiliging van de Nederlandse Veiligheidsbranche wordt onafhankelijk geauditeerd en dat biedt een goede garantie.

    De Nederlandse Veiligheidsbranche zegt vanuit haar ‘maatschappelijke verantwoordelijkheid’ graag te willen spreken over het aantal evenementen dat in korte tijd op de agenda wordt gezet, over de samenwerking tussen overheden, over de vergunningverlening en het toezicht daarop, en over het type bedrijven dat voor opdrachten in aanmerking komt.

    De Nederlandse Veiligheidsbranche behartigt de belangen van bedrijven die zich bezighouden met beveiliging en beheersing van risico’s met betrekking tot personen, objecten en bedrijfsvoering. De omzet van de branche is circa 1,4 miljard euro. Van alle beveiligingsmedewerkers in Nederland werkt 90 procent bij een bedrijf dat is aangesloten bij de Nederlandse Veiligheidsbranche.

    BNR Nieuwsradio heeft op 17 januari naar aanleiding van dit persbericht voorzitter Ard van der Steur geïnterviewd, dit kunt u hier afluisteren.

  • Nieuwe certificerende instelling voor Keurmerk Beveiliging

    Nieuwe certificerende instelling voor Keurmerk Beveiliging

    Nieuwe certificerende instelling voor Keurmerk Beveiliging

    Gorinchem 14 januari 2020 – De Nederlandse Veiligheidsbranche heeft een nieuwe certificerende instelling toegevoegd aan de instellingen die bevoegd zijn te toetsen voor het Keurmerk Beveiliging. De brancheorganisatie heeft daartoe een contract gesloten met Het Erkenningsinstituut BV (HEI), dat zich met name richt op het midden- en kleinbedrijf.

    Beveiligingsbedrijven die het keurmerk willen halen of behouden kunnen nu kiezen uit negen certificerende instellingen. Deze negen zijn bevoegd te beoordelen of een bedrijf voldoet aan alle keurmerkeisen. Welke certificerende instelling een bedrijf hiervoor kiest, mag het zelf bepalen.

    Een bedrijf dat in aanmerking wil (blijven) komen voor het keurmerk wordt eens in de drie jaar (bij de eerste – initiële – audit en bij de herbeoordeling drie jaar later) getoetst op organisatie-eisen, op processen en procedures en op integriteitsmaatregelen. Dat gebeurt op het hoofdkantoor van het bedrijf. In de jaren daartussen (dus na 1 en na 2 jaar) vindt een audit plaats op locatie, dus op een plek waar het bedrijf zijn diensten verleent. Dus echt in de praktijk.

    Het Keurmerk Beveiliging bevat basiseisen waaraan elke beveiligingsorganisatie moet voldoen en daarnaast specifieke eisen voor specifieke beveiligingsdiensten als geld- en waardelogistiek, evenementenbeveiliging en horecabeveiliging.

  • Minister wil knelpunten graag bespreken met veiligheidsbranche

    Minister wil knelpunten graag bespreken met veiligheidsbranche

    Minister wil knelpunten graag bespreken met veiligheidsbranche

    Gorinchem, 10 januari 2020 – Minister Ferdinand Grapperhaus van Justitie en Veiligheid wil graag met de veiligheidsbranche praten over wat hij met zijn ministerie kan doen om beveiligingsbedrijven nog beter hun werk te laten doen. “Zet de tien belangrijkste kwesties op een rij waar u tegenaan loopt, dan hebben we het daar over”, zo zei de minister op donderdag 9 januari tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst van drie brancheorganisaties in de veiligheidssector.

    ‘Kick Off 2020’ was georganiseerd door de Nederlandse Veiligheidsbranche, de Federatie Veilig Nederland en de Vereniging Erkende Beveiligingsbedrijven (VEB). Minister Grapperhaus hield er een inleiding en was complimenteus over de rol van de veiligheidsbranche in de samenleving.

    In de jaren tachtig van de vorige eeuw – toen hij zijn loopbaan begon als advocaat – had  de branche nog geen goede reputatie, aldus Grapperhaus. “Er was argwaan bij de overheid. U heeft daar enorm hard aan gewerkt, waardoor de branche nu zeer goed bekend staat. Nederland behoort tot de landen met de veiligste rechtstaat ter wereld. Dat is mede te danken aan de professionele beveiligingsindustrie. Daarnaast heeft de branche goed ingespeeld op de toenemende digitalisering en op wens van opdrachtgevers om als beveiligingsbedrijven een bredere rol te nemen.”

    De minister nodigde de branche uit voor een nader gesprek over eventuele knelpunten en deed daarvoor zelf ook al enkele suggesties. “Zou het u helpen als we kritischer kijken naar openings- en sluitingstijden in risicogebieden? Of als we kritischer kijken naar festivalvergunningen? Ik gooi dit voor een volgend gesprek maar eens in de groep.” Dit zijn thema’s die ook spelen bij overheidsorganisaties als de politie, de brandweer en de ambulancediensten, zo stelde Grapperhaus.

    Tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst gingen de voorzitters van de drie organiserende brancheorganisaties in op hun wensen ten aanzien van 2020. Ard van der Steur, voorzitter van de Nederlandse Veiligheidsbranche, noemde drie zaken die hij komend jaar graag zou realiseren.

    Beveiligingsbedrijven en politie zouden in de praktijk, onder andere bij het uitwisselen van informatie, nog beter moeten samenwerken. Ook op het gebied van de werving van personeel hoopt Van der Steur op meer samenwerking tussen overheidsorganisaties en particuliere sector. “We worden allemaal geconfronteerd met de toenemende krapte op de arbeidsmarkt. Dan moeten we elkaar niet bestrijden, maar kiezen voor samenwerking.”

    Verder zei Van der Steur te hopen dat ‘kwaliteit’ belangrijker wordt bij aanbesteding van beveiligingsopdrachten. In de praktijk is beveiliging te vaak een sluitpost op de begroting. Hij doelde daarbij met name op het toenemende aantal evenementen in Nederland: “Veiligheid is een van de belangrijkste elementen in de voorbereiding.”

  • Let op: per 1 januari 2020 gelden nieuwe regels voor de WW-premies

    Let op: per 1 januari 2020 gelden nieuwe regels voor de WW-premies

    Let op: per 1 januari 2020 gelden nieuwe regels voor de WW-premies

    De regels voor WW-premies veranderen als gevolg van de invoering van de Wet Arbeidsmarkt in Balans per 1 januari 2020.

    Voor de WW-premies gaat een hoog tarief en een laag tarief gelden. Mensen met een contract voor bepaalde tijd vallen onder het hoge tarief, vaste medewerkers onder het lage tarief. Maar ontvangt een parttime medewerker binnen een jaar 30 procent meer salaris, dan krijgt de werkgever met terugwerkende kracht alsnog het hoge WW-tarief toegerekend.Nieuw is ook dat op de loonstrook moet worden vermeld welk contract een medewerker heeft: is de overeenkomst voor onbepaalde tijd of bepaalde tijd? U hebt er baat bij dit goed te regelen, want bij een vast contract gaat het lage WW-tarief gelden. Het is dus extra belangrijk om de salarisadministratie goed op orde te hebben. 

    1. Wanneer betaalt de werkgever de lage WW-premie?
    De hoofdregel is dat de werkgever de lage WW-premie betaalt voor werknemers die werkzaam zijn op basis van een vast contract, dat wil zeggen een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die geen oproepovereenkomst is. Er is sprake van een oproepovereenkomst:
    • wanneer de omvang van de arbeid niet is vastgelegd in een aantal uren per tijdseenheid van maximaal een maand;
    • wanneer de omvang van de arbeid niet is vastgelegd in een aantal uren per tijdseenheid van maximaal een jaar waarbij het loon gelijkmatig over het jaar is gespreid; of
    • wanneer de werknemer op grond van artikel 7:628 lid 5 of artikel 7:691 lid 7 BW (uitsluiting van de loondoorbetalingsplicht) geen recht heeft op het naar tijdruimte vastgestelde loon, indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht.

    De werknemer heeft bij een oproepovereenkomst geen zekerheid over het aantal te werken uren en het loon. Een min-max-contract valt ook onder het begrip oproepovereenkomst omdat een werknemer geen zekerheid heeft over de uit te betalen uren per maand, want het aantal gewerkte uren kan variëren binnen de bandbreedte van het contract. Dit geldt ook voor een nul-urencontract. 

    De wetgever heeft er rekening mee gehouden dat het – in sectoren die sterk afhankelijk zijn van seizoensarbeid – niet altijd mogelijk is om met werknemers een vast contract met een vaste arbeidsomvang per week of maand overeen te komen.
    Daarom maakt de WAB het mogelijk om ook de lage WW-premie te betalen voor schriftelijke contracten voor onbepaalde tijd waarbij de arbeidsomvang per jaar overeen is gekomen, mits het recht op loon gelijkmatig over het jaar is gespreid (de zogenoemde jaarurennorm).
    Voor alle gevallen waarin niet aan de voorwaarden voor de lage WW-premie wordt voldaan, geldt de hoge WW-premie. Dat is onder andere het geval bij een oproepovereenkomst, een overeenkomst voor bepaalde tijd of bij een arbeidsovereenkomst die niet schriftelijk is overeengekomen. Zie voor uitzonderingen op de hoofdregel vraag 7.

    2. Welke premie betaalt de werkgever als er wel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is, maar geen schriftelijke arbeidsovereenkomst?
    Als er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is gesloten, dan wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor de lage WW-premie. (behoudens de uitzonderingen die hieronder bij vraag 4 worden behandeld). De werkgever is dan de hoge WW-premie verschuldigd. 

    Als een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten en die van rechtswege overgaat in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder dat de schriftelijke arbeidsovereenkomst is aangepast aan de nieuwe situatie, dan is de werkgever ook de hoge WW-premie verschuldigd. De werkgever is verplicht om op de loonstrook te vermelden of er een schriftelijke arbeidsovereenkomst is overeengekomen en in de loonaangifte met een indicatie ja/mee aan te geven of er sprake is van een schriftelijke arbeidsovereenkomst.

    Via het digitaal verzekeringsbericht van UWV kan de werknemer controleren of de aard van het contract juist in de loonaangifte is opgenomen.

    3. Wanneer betaalt de werkgever de hoge WW-premie?
    Voor alle gevallen, met uitzondering van de uitzonderingen die bij vraag 4 worden benoemd, waarin niet aan de voorwaarden van de lage WW-premie (schriftelijk, onbepaalde tijd en geen oproepovereenkomst) wordt voldaan, geldt de hoge WW-premie.


    Dit geldt dus voor alle flexibele dienstverbanden. Daaronder vallen werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, maar ook uitzendkrachten die een uitzendovereenkomst hebben met een uitzendbeding.

    De hoge WW-premie is ook van toepassing bij een fictieve dienstbetrekking. Een fictieve dienstbetrekking voldoet voor toepassing van de lage WW-premie namelijk niet aan het vereiste dat sprake is van een dienstbetrekking zoals bedoeld in artikel 3 WW die steunt op de arbeidsovereenkomst (artikel 7:610 BW). Daarnaast betaalt de werkgever ook de hoge WW-premie voor oproepkrachten die werkzaam zijn op basis van een oproepovereenkomst.

    4. Wat zijn de uitzonderingen op het betalen van de lage of hoge WW-premie?
    Er zijn drie situaties waarin de werkgever altijd de lage WW-premie mag betalen.

    a) Als een werkgever met een BBL-leerling een praktijkovereenkomst sluit en die voorziet van dagtekening en in de administratie opneemt, dan mag de werkgever de lage WW-premie betalen als de werkgever ook een arbeidsovereenkomst met de BBL-leerling heeft. BBL staat voor Beroeps Begeleidende Leerweg. Dit is een onderwijsvorm waarbij de leerlingen werkend leren. De leerling gaat meestal één dag in de week naar school, de andere vier dagen werkt hij bij een erkend leerbedrijf.

    De praktijkovereenkomst kan dus gepaard gaan met een arbeidsovereenkomst doordat beide overeenkomsten door partijen worden gesloten of doordat uit de aard van de feitelijk te verrichten activiteiten en de verhouding waarbinnen die activiteiten worden verricht ook sprake is van een arbeidsovereenkomst.

    b) De werkgever betaalt ook de lage WW-premie als een arbeidsovereenkomst is gesloten met een werknemer jonger dan 21 jaar, die maximaal 48 uur per aangiftetijdvak van vier weken of 52 uur per aangiftetijdvak van een kalendermaand loon heeft gekregen. De situatie kan zich voordoen dat de werkgever het ene aangiftetijdvak de lage WW-premie en het andere aangiftetijdvak de hoge WW-premie – namelijk waarin meer dan 48 of 52 uren verloond zijn – moet betalen voor een jongere onder de 21 jaar.

    Voor de toets aan de leeftijd van 21 jaar is de leeftijd van belang die de werknemer had op de eerste dag van het betreffende aangiftetijdvak van vier weken of een maand. Als de werknemer op de eerste dag van het aangiftetijdvak nog niet in dienst was, dan geldt de leeftijd van de werknemer op de eerste dag van de dienstbetrekking.

    c) De werkgever betaalt over uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen (WW, ZW, WIA, WAO, WAZO) de lage WW-premie. Dit is zowel het geval als UWV de uitkering rechtstreeks aan de werknemer betaalt als wanneer de werkgever de uitkering van UWV ontvangt en aan de werknemer doorbetaalt (dit wordt een werkgeversbetaling genoemd) of als de werkgever eigenrisicodrager is en de uitkering zelf betaalt.

    5. Kan de lage WW-premie worden herzien waardoor de werkgever alsnog de hoge WW-premie is verschuldigd?
    In een aantal situaties moet de werkgever de lage WW-premie herzien. Hiervoor is de werkgever zelf verantwoordelijk. De werkgever is in eerste instantie de lage WW-premie verschuldigd. Als één van de herzieningssituaties zich voordoet, is de werkgever verplicht om met terugwerkende kracht de hoge WW-premie te betalen. De hoge WW-premie is dan alsnog met terugwerkende kracht verschuldigd. 

    De hoogte van de herziening is het verschil tussen enerzijds de premies die de werkgever zou hebben betaald als hij gedurende de voorafgaande twaalf maanden (of = als de arbeidsovereenkomst korter heeft geduurd – over de gehele duur van de arbeidsovereenkomst) de hoge premie had betaald, en anderzijds de premies die de werkgever reeds heeft betaald. Een herziening heeft dus betrekking op een periode van maximaal twaalf maanden. Als een herziening betrekking heeft op perioden in twee kalenderjaren, moet voor elk respectievelijk kalenderjaar worden gerekend met de premies die in dat jaar van toepassing waren.

    Vanaf 1 januari 2020 gelden twee herzieningssituaties:

    a) Wanneer de dienstbetrekking uiterlijk twee maanden na aanvang eindigt. De reden van de beëindiging van de dienstbetrekking is hiervoor niet relevant. Hieronder valt ook de situatie waarin de dienstbetrekking precies twee maanden heeft geduurd.

    b) Wanneer de uren waarover loon wordt betaald (de verloonde uren) de contractuele overeengekomen uren (de contracturen) met meer dan 30 procent overstijgen in de loonaangifte over het betreffende kalenderjaar. Deze bepaling is niet van toepassing als de werknemer in het kalenderjaar bij de werkgever één of meer dienstbetrekkingen heeft waarop de werkgever de lage WW-premie mag toepassen waarbij in deze dienstbetrekking(en) gemiddeld een arbeidsomvang van minimaal 35 uur per week is overeengekomen (voltijds volgens de definitie van het Centraal Bureau voor de Statistiek).
    Deze bepaling voorkomt dat vaste contracten worden aangegaan met een (zeer) beperkt aantal vaste uren en in de praktijk structureel overwerk wordt ingezet als flexibele arbeid en wordt berekend over de loonaangiftegegevens van een bepaald kalenderjaar. Om te berekenen of deze situatie op een werknemer van toepassing is, wordt de verhouding tussen het totaal aantal verloonde uren en de totale overeengekomen uren in de arbeidsovereenkomsten in het kalenderjaar berekend.

  • Nederlandse Veiligheidsbranche publiceert halfjaarbericht

    Nederlandse Veiligheidsbranche publiceert halfjaarbericht

    Nederlandse Veiligheidsbranche publiceert halfjaarbericht

    Gorinchem, 30 oktober 2019 – Wat deed de Nederlandse Veiligheidsbranche in het eerste halfjaar van 2019? Een overzicht van enkele van onze belangrijkste acties en standpunten is te vinden in ons halfjaarbericht. U leest hierin onder andere over onze inzet op het gebied van vakopleidingen, arbeidswetgeving en pensioenen. De economische positie van de branche komt ook aan bod. Daarnaast een terugblik op de introductie van onze nieuwe voorzitter Ard van der Steur, die begin april Laetitia Griffith opvolgde.

  • Wat staat er in het pensioenakkoord?

    Wat staat er in het pensioenakkoord?

    Gorinchem – 28 juni 2019 – Na jaren onderhandelen hebben werkgevers, vakbonden en kabinet een akkoord bereikt over de toekomst van de pensioenen. Er zijn oplossingen gevonden om bij zwaar werk eerder met pensioen te kunnen en de AOW-leeftijd stijgt minder snel dan het kabinet zich aanvankelijk had voorgenomen. Ook ontstaat perspectief op het weer kunnen verhogen van de pensioenen. Het pensioenstelsel wordt bovendien eerlijker, transparanter en persoonlijker. Wat dit voor de beveiligingsbranche betekent zal verder aan de cao-tafel moeten worden uitgewerkt. Een overzicht van de belangrijkste afspraken:

    Twee pensioencontracten

    Naast de Wet verbeterde premieregeling wordt er een nieuwe premieovereenkomst toegevoegd met meer collectieve risicodeling. Beide contracten bieden een grotere kans op verhoging van de pensioenen, doordat geen enorme buffers meer te hoeven worden opgebouwd, zoals nu. De premie wordt in het arbeidsvoorwaardenoverleg bepaald en is langdurig stabiel wat zekerheid geeft aan werkgevers en werknemers en tevens zorgt voor minder effecten op de conjunctuur. Zie voor de twee pensioencontracten het SER-advies. Deelnemers krijgen veel beter inzicht in hun pensioenopbouw en wat ze mogen verwachten op termijn. De mogelijkheden van waardeoverdracht worden sterk verbeterd, waardoor het stelsel beter past bij de moderne arbeidsmarkt en deelnemers krijgen de keuze een beperkt deel van hun pensioen op de pensioendatum ineens op te nemen.

    Afschaffing doorsneesystematiek

    Door afschaffing van de doorsneesystematiek gaat iedereen straks dezelfde pensioenpremie betalen, waardoor een eerlijker systeem ontstaat. Over de adequate compensatie en kostenneutrale transitie van de afschaffing zijn goede afspraken gemaakt. Voor de definitieve wetgeving kan pas groen licht worden gegeven als duidelijk is dat het nieuwe systeem voor alle pensioenregelingen werkt. 

    AOW-leeftijd

    De AOW-leeftijd wordt vanaf nu tot en met 2021 bevroren op 66 jaar en vier maanden en loopt daarna op tot 67 in 2024. De één op één koppeling van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting is niet houdbaar en wordt teruggebracht vanaf 2025 naar 8 maanden voor elk jaar dat mensen ouder worden. Beide maatregelen zorgen ervoor dat de AOW-leeftijd wat minder snel stijgt en de AOW een solide basis van ons pensioenstelsel kan blijven. 

    Eerder stoppen met zwaar werk

    Naast een minder snelle stijging van de AOW-leeftijd zijn maatregelen afgesproken om te zorgen dat mensen met zwaar werk eerder kunnen stoppen dan de AOW-leeftijd. Dit gebeurt met maatwerk in de betreffende sectoren en ondernemingen. Werkgever en werknemer kunnen met wederzijdse instemming afspreken dat iemand tot drie jaar eerder stopt. De werkgever betaalt dan over de eerste 19.000 euro geen RVU-heffing. Verder kunnen mensen hun pensioen naar voren halen en komt er extra budget voor maatwerk. Deze afspraken zijn tijdelijk tot 2025. In de tussentijd worden structurele maatregelen verkend.

    Zzp’er kan eenvoudiger pensioen opbouwen

    Met de nieuwe pensioencontracten kunnen zzp’ers straks eenvoudiger pensioen opbouwen in de tweede pijler. Het wordt daarnaast fiscaal ook aantrekkelijker om zelf voor pensioen te sparen (derde pijler). Verder hebben kabinet, vakbonden en werkgevers afgesproken dat er een verplichte

  • Branchescan 2018: Optimisme heerst in veiligheidsbranche

    Branchescan 2018: Optimisme heerst in veiligheidsbranche

    Branchescan 2018: Optimisme heerst in veiligheidsbranche

    Gorinchem, 12 juni 2019 – De leden van de Nederlandse Veiligheidsbranche hebben vorig jaar een omzetgroei van 1,3 procent gerealiseerd en verwachten dit jaar in omzet gemiddeld 3 procent te zullen groeien. “Daarmee wordt de stijgende lijn voortgezet, die in 2015 is begonnen”, aldus voorzitter Ard van der Steur.

    Aantal (vrouwelijke) werknemers stijgt 

    Ook het aantal werknemers is in 2018 weer licht gestegen (plus 0,5 procent). De trend dat steeds meer vrouwen in dienst komen van beveiligingsbedrijven zet ook door (van 20 procent in 2015 naar 25 procent in 2018). In de particuliere beveiligingsbranche werken 20.924 mannen en 6.975 vrouwen.

    Dit blijkt uit de jaarlijkse branchescan, die is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Veiligheidsbranche. De analyse heeft betrekking op gegevens over 2018 en op verwachtingen van ondernemingen ten aanzien van 2019. Het onderzoek is voor de vijftiende keer gehouden.

    Positieve verwachtingen

    In 2018 was de omzetgroei bij mkb-bedrijven in het algemeen iets sterker dan bij grotere ondernemingen. De verwachtingen van beveiligingsbedrijven voor 2019 zijn echter over de hele linie nog positiever dan een jaar geleden. Ruim twee derde van alle bedrijven (vorig jaar nog ruim de helft) voorziet voor dit jaar een omzetgroei (en wel met gemiddeld 9 procent), terwijl ongeveer een vijfde zijn omzet dit jaar ziet stabiliseren.

    Leeftijdssamenstelling blijft zorgelijk

    Een punt van zorg blijft de leeftijdssamenstelling van de branche: het percentage medewerkers boven de 45 jaar is verder gegroeid (van 43 procent in 2017 naar 46 procent in 2018). Het aandeel jonge werknemers (onder de 25 jaar) blijft stabiel op circa 10 procent. Het ziekteverzuim is gestegen van 5,8 procent in 2017 naar 6,6 procent in 2018.

    Maatschappelijk verantwoord wagenpark

    Een opvallend verschijnsel is verder de samenstelling van het wagenpark van surveillanceauto’s (in totaal 880 in 2018). Het aantal volledig elektrische auto’s groeide in slechts een jaar tijd van 2 naar 7 procent, wat vooral ten koste ging van het aantal dieselauto’s.

  • Manifest WAB “zo werkt het niet” aangeboden aan Eerste Kamer

    Manifest WAB “zo werkt het niet” aangeboden aan Eerste Kamer

    Manifest WAB “zo werkt het niet” aangeboden aan Eerste Kamer

    Den Haag, 12 maart 2019 – Vorige maand is de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) door de Tweede Kamer aangenomen. Samen met een aantal branches waarvoor tijdelijk werk een gegeven is en geen keuze, hebben we gelobbyd voor aanpassingen. Op 1 punt is dat goed gelukt: de hoge WW-premie gaat niet gelden voor scholieren en studenten.

    Manifest zo werkt het niet!

    We staan aan de vooravond van de behandeling van de WAB in de Eerst Kamer. De campagne “zo werkt het niet” zetten wij met VNO-NCW/MKB-Nederland  en de andere sectoren ook in om nog niet gerealiseerde verbeteringen te krijgen in de Wet. Een manifest daarover is op 12 maart aangeboden aan de commissie sociale zaken van de Eerste Kamer. Het manifest vindt u hier

  • Ondernemers blij met lage WW-premie scholieren en studenten in WAB

    Ondernemers blij met lage WW-premie scholieren en studenten in WAB

    Ondernemers blij met lage WW-premie scholieren en studenten in WAB

    Den Haag, 5 februari 2019 – VNO-NCW, MKB-Nederland en de betreffende brancheorganisaties zijn verheugd dat jongeren tot 21 jaar met een bijbaan onder de lage WW-premie gaan vallen. Dat was een belangrijk doel van de campagne Zo werkt het niet! die de ondernemersorganisaties* sinds december voeren tegen enkele maatregelen in de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) die tijdelijk werk duurder maken, onder meer via premiedifferentiatie in de WW. De ondernemersorganisaties hadden graag ook gezien dat het lage WW-tarief voor seizoenswerk zou zijn geregeld. Dit blijkt uitvoeringstechnisch echter niet mogelijk, maar dankzij een motie is wel de deur voor een oplossing opengezet.

    De Tweede Kamer stemde vanmiddag voor een amendement van SGP-Kamerlid Stoffer c.s.om jongeren tot 21 jaar die niet meer dan twaalf uur per week werken, onder het lage WW-tarief te brengen. Een  amendement van Stoffer en Baudet om dat ook voor seizoenwerkers te regelen, haalde het niet; het kabinet had dat amendement ontraden omdat het niet uitvoerbaar is via de Belastingdienst. Wel is de motie Wiersma/Heerma aangenomen die het kabinet oproept om samen met sociale partners alsnog tot maatwerkoplossingen voor seizoenswerk te komen. 

    Handschoen oppakken

    “Die handschoen pakken we natuurlijk graag op”, zegt voorzitter Jacco Vonhof van MKB-Nederland namens de ondernemersorganisaties. “Het is jammer dat het nu vanwege uitvoeringsperikelen niet mogelijk is om seizoenswerk te ontzien, maar het boek is niet dicht. We moeten met elkaar nu snel een oplossing vinden om te voorkomen dat deze ondernemers forse kostenverhogingen voor hun kiezen krijgen voor iets waar ze niks aan kunnen doen. Tijdelijk werk, zoals in de landbouw of de recreatie, kan alleen maar met tijdelijke krachten worden ingevuld.”
    Het is daarom ook goed dat ondernemers met seizoenswerk in ieder geval de ruimte krijgen om via de cao alsnog de nodige flexibiliteit rond oproepkrachten te behouden, aldus de ondernemersorganisaties. 

    Zij hebben in hun campagne Zo werkt het niet! steeds betoogd dat het niet logisch én niet fair is om ondernemers financieel af te straffen voor de inzet van tijdelijke krachten waar dat inherent is aan de aard van het werk. “Het is mooi dat het gezonde verstand het ten aanzien van jongeren alvast heeft gewonnen”, aldus Vonhof. “Branches als horeca en detailhandel kunnen niet zonder scholieren en studenten die de pieken opvangen.” 

    Reparatie ontslagrecht

    Tevreden zijn de ondernemersorganisaties ook met de zogeheten cumulatiegrond in het ontslagrecht, die ondernemers de mogelijkheid geeft meerdere redenen voor ontslag combineren. Vonhof: “Dit vereenvoudigt het ontslagrecht en doet recht aan het feit dat ontslag vaak diverse gronden heeft. Het is daarom een terechte reparatie van de Wet Werk en Zekerheid. Als zo’n 40 procent van de ontslagaanvragen niet meer voorbij de kantonrechter komt – en dat is een veel hoger percentage dan vóór de invoering van WWZ – dan weet je dat het niet goed is.”
    VNO-NCW en MKB-Nederland vinden het verder positief dat de keten van tijdelijke contracten wordt verruimd van 24 naar 36 maanden. Dit geeft ondernemers meer mogelijkheden om te bezien of er voldoende werk is en blijft om medewerkers ook een vast contract aan te bieden.

    MKB-budget voor scholing

    De ondernemersorganisaties zijn ook blij met het besluit om 48 miljoen euro in te zetten voor kleine(re) bedrijven om de leercultuur te ondersteunen. Daartoe had onder anderen VVD-Kamerlid Wiersma een motie ingediend. Dit  budget moet het ondernemers makkelijker maken om medewerkers zelf te kunnen opleiden, onder meer via bedrijfsscholing. “Over de uitwerking van die plannen praten en denken wij graag mee”, aldus Vonhof.
    De Wet Arbeidsmarkt in Balans is aangenomen door de coalitiepartijen, SGP en Forum voor Democratie.

    * Detailhandel Nederland, InRetail, Koninklijke Horeca Nederland, Cumela Nederland, Nederlandse Veiligheidsbranche, RECRON en LTO Nederland