Auteur: Elize

  • Beveiligingsbedrijven bezorgd over groot aantal evenementen

    Beveiligingsbedrijven bezorgd over groot aantal evenementen

    Gorinchem, 16 januari 2020 – Particuliere beveiligingsbedrijven maken zich zorgen over de sterke toename van het aantal festivals en andere evenementen in Nederland. Aan het begin van een nieuw jaar (met tal van nieuwe evenementen) wil de Nederlandse Veiligheidsbranche daarom in gesprek met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de politie en met de organisatoren, verenigd in de Vereniging van Evenementenmakers.

    Alle Nederlandse gemeentebesturen hebben hierover inmiddels een brief ontvangen van Ard van der Steur, voorzitter van de Nederlandse Veiligheidsbranche. Deze branchevereniging vertegenwoordigt 90 procent van de werkgelegenheid in de sector.

    “Wij voorzien toenemende risico’s voor de beveiliging van deze evenementen en zijn bezorgd of betrokkenen bij deze evenementen voldoende zicht hebben op de kwaliteit van beveiliging en samenwerking met politie en andere overheden”, zo schrijft Van der Steur. “Daarenboven wordt beveiliging vaak als sluitpost gezien, terwijl de veiligheid van bezoekers prioriteit behoort te hebben.”

    Vorig jaar werden voor het eerst meer dan 1.000 festivals gehouden in Nederland en in 2020 zullen dat er niet minder zijn. Nieuwe evenementen zijn dit jaar de Formule 1 in Zandvoort, het Eurovisie Songfestival in Rotterdam, de Invictus Games in Den Haag en Sail Amsterdam. De veiligheidsbranche heeft, net als de politie te maken met krapte aan personeel, en wordt (als gevolg van de Wet Arbeidsmarkt in Balans) sinds 1 januari bovendien geconfronteerd met hogere kosten voor de inhuur van beroepskrachten. Opdrachtgevers doen er verstandig aan goed naar de kwaliteit van het in te huren beveiligingsbedrijf te kijken, aldus Van der Steur. Het Keurmerk Beveiliging van de Nederlandse Veiligheidsbranche wordt onafhankelijk geauditeerd en dat biedt een goede garantie.

    De Nederlandse Veiligheidsbranche zegt vanuit haar ‘maatschappelijke verantwoordelijkheid’ graag te willen spreken over het aantal evenementen dat in korte tijd op de agenda wordt gezet, over de samenwerking tussen overheden, over de vergunningverlening en het toezicht daarop, en over het type bedrijven dat voor opdrachten in aanmerking komt.

    De Nederlandse Veiligheidsbranche behartigt de belangen van bedrijven die zich bezighouden met beveiliging en beheersing van risico’s met betrekking tot personen, objecten en bedrijfsvoering. De omzet van de branche is circa 1,4 miljard euro. Van alle beveiligingsmedewerkers in Nederland werkt 90 procent bij een bedrijf dat is aangesloten bij de Nederlandse Veiligheidsbranche.

    BNR Nieuwsradio heeft op 17 januari naar aanleiding van dit persbericht voorzitter Ard van der Steur geïnterviewd, dit kunt u hier afluisteren.

  • Nieuwe certificerende instelling voor Keurmerk Beveiliging

    Nieuwe certificerende instelling voor Keurmerk Beveiliging

    Nieuwe certificerende instelling voor Keurmerk Beveiliging

    Gorinchem 14 januari 2020 – De Nederlandse Veiligheidsbranche heeft een nieuwe certificerende instelling toegevoegd aan de instellingen die bevoegd zijn te toetsen voor het Keurmerk Beveiliging. De brancheorganisatie heeft daartoe een contract gesloten met Het Erkenningsinstituut BV (HEI), dat zich met name richt op het midden- en kleinbedrijf.

    Beveiligingsbedrijven die het keurmerk willen halen of behouden kunnen nu kiezen uit negen certificerende instellingen. Deze negen zijn bevoegd te beoordelen of een bedrijf voldoet aan alle keurmerkeisen. Welke certificerende instelling een bedrijf hiervoor kiest, mag het zelf bepalen.

    Een bedrijf dat in aanmerking wil (blijven) komen voor het keurmerk wordt eens in de drie jaar (bij de eerste – initiële – audit en bij de herbeoordeling drie jaar later) getoetst op organisatie-eisen, op processen en procedures en op integriteitsmaatregelen. Dat gebeurt op het hoofdkantoor van het bedrijf. In de jaren daartussen (dus na 1 en na 2 jaar) vindt een audit plaats op locatie, dus op een plek waar het bedrijf zijn diensten verleent. Dus echt in de praktijk.

    Het Keurmerk Beveiliging bevat basiseisen waaraan elke beveiligingsorganisatie moet voldoen en daarnaast specifieke eisen voor specifieke beveiligingsdiensten als geld- en waardelogistiek, evenementenbeveiliging en horecabeveiliging.

  • Minister wil knelpunten graag bespreken met veiligheidsbranche

    Minister wil knelpunten graag bespreken met veiligheidsbranche

    Minister wil knelpunten graag bespreken met veiligheidsbranche

    Gorinchem, 10 januari 2020 – Minister Ferdinand Grapperhaus van Justitie en Veiligheid wil graag met de veiligheidsbranche praten over wat hij met zijn ministerie kan doen om beveiligingsbedrijven nog beter hun werk te laten doen. “Zet de tien belangrijkste kwesties op een rij waar u tegenaan loopt, dan hebben we het daar over”, zo zei de minister op donderdag 9 januari tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst van drie brancheorganisaties in de veiligheidssector.

    ‘Kick Off 2020’ was georganiseerd door de Nederlandse Veiligheidsbranche, de Federatie Veilig Nederland en de Vereniging Erkende Beveiligingsbedrijven (VEB). Minister Grapperhaus hield er een inleiding en was complimenteus over de rol van de veiligheidsbranche in de samenleving.

    In de jaren tachtig van de vorige eeuw – toen hij zijn loopbaan begon als advocaat – had  de branche nog geen goede reputatie, aldus Grapperhaus. “Er was argwaan bij de overheid. U heeft daar enorm hard aan gewerkt, waardoor de branche nu zeer goed bekend staat. Nederland behoort tot de landen met de veiligste rechtstaat ter wereld. Dat is mede te danken aan de professionele beveiligingsindustrie. Daarnaast heeft de branche goed ingespeeld op de toenemende digitalisering en op wens van opdrachtgevers om als beveiligingsbedrijven een bredere rol te nemen.”

    De minister nodigde de branche uit voor een nader gesprek over eventuele knelpunten en deed daarvoor zelf ook al enkele suggesties. “Zou het u helpen als we kritischer kijken naar openings- en sluitingstijden in risicogebieden? Of als we kritischer kijken naar festivalvergunningen? Ik gooi dit voor een volgend gesprek maar eens in de groep.” Dit zijn thema’s die ook spelen bij overheidsorganisaties als de politie, de brandweer en de ambulancediensten, zo stelde Grapperhaus.

    Tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst gingen de voorzitters van de drie organiserende brancheorganisaties in op hun wensen ten aanzien van 2020. Ard van der Steur, voorzitter van de Nederlandse Veiligheidsbranche, noemde drie zaken die hij komend jaar graag zou realiseren.

    Beveiligingsbedrijven en politie zouden in de praktijk, onder andere bij het uitwisselen van informatie, nog beter moeten samenwerken. Ook op het gebied van de werving van personeel hoopt Van der Steur op meer samenwerking tussen overheidsorganisaties en particuliere sector. “We worden allemaal geconfronteerd met de toenemende krapte op de arbeidsmarkt. Dan moeten we elkaar niet bestrijden, maar kiezen voor samenwerking.”

    Verder zei Van der Steur te hopen dat ‘kwaliteit’ belangrijker wordt bij aanbesteding van beveiligingsopdrachten. In de praktijk is beveiliging te vaak een sluitpost op de begroting. Hij doelde daarbij met name op het toenemende aantal evenementen in Nederland: “Veiligheid is een van de belangrijkste elementen in de voorbereiding.”

  • Bijeenkomst van bedrijven die Nederland draaiende houden

    Bijeenkomst van bedrijven die Nederland draaiende houden

    Bijeenkomst van bedrijven die Nederland draaiende houden

    Gorinchem 8 januari 2020 – Nederland behoort tot de veiligste landen ter wereld. Dat is voor een groot deel te danken aan een professionele beveiligingsindustrie die diensten en producten van hoge en gecertificeerde kwaliteit levert. Lange tijd stond de overheid wantrouwend tegenover deze ‘commerciële’ concurrent in het veiligheidsdomein, maar inmiddels erkent zij dat Nederland niet zonder deze bedrijfstak kan. Dat vertelt minister Grapperhaus van Justitie & Veiligheid op donderdag 9 januari tijdens een nieuwjaarsbijeenkomst van de georganiseerde beveiligingsindustrie.

    De nieuwjaarsbijeenkomst is voor de media een unieke gelegenheid om de CEO’s te ontmoeten van de bedrijven die er doorgaans op de achtergrond voor zorgen dat catastrofale branden worden voorkomen, dat de elektriciteits- en aardgasvoorzieningen blijven functioneren en dat mensen veilig kunnen wonen en ondernemen. De beveiligingsindustrie heeft de afgelopen jaren enorm aan belang gewonnen en die trend zet zich voort. De belangrijkste reden is de toenemende kwetsbaarheid van de samenleving voor incidenten. Vooral de afhankelijkheid van ketenpartners en infrastructuur neemt de komende jaren enorm toe. De beveiligingsindustrie ontwikkelt oplossingen om de continuïteit daarvan te borgen.

    Het is de derde keer dat de beveiligingsindustrie op grote schaal bijeen komt. Er worden zo’n 350 gasten verwacht, niet alleen vanuit de industrie zelf, maar vanuit de gehele veiligheidsketen, zoals politie, brandweer, het ministerie van Justitie en Veiligheid, De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), inspectiebureaus, het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV), verzekeraars en vele anderen.

    Onder leiding van dagvoorzitter Dorine Burmanje wordt tijdens de ‘Kick Off 2020’ invulling gegeven aan het thema ‘hoe maken publiek en privaat gezamenlijk Nederland veiliger?’. De bijeenkomst vindt plaats in CORPUS in Oegstgeest en is georganiseerd door de Federatie Veilig Nederland, de Nederlandse Veiligheidsbranche en de Vereniging Erkende Beveiligingsbedrijven (VEB), waarbij in totaal zo’n 800 professionele bedrijven zijn aangesloten.

    Over Federatie Veilig Nederland
    Ondernemersvereniging Federatie Veilig Nederland bestaat uit 180 gespecialiseerde bedrijven (leveranciers, grote installatiebedrijven, dienstverleners, etc.) met technische oplossingen voor vele brandveiligheids- en beveiligingsvraagstukken. Samen zijn de bedrijven goed voor een omzet van 1,1 miljard euro. Federatie Veilig Nederland vergroot de veiligheid van de samenleving door het geven van voorlichting over en het stimuleren van kwaliteit, kennis, diensten en producten.

    Over de Nederlandse Veiligheidsbranche
    De Nederlandse Veiligheidsbranche behartigt de belangen van bedrijven die zich bezighouden met beveiliging en beheersing van risico’s met betrekking tot personen, objecten en bedrijfsvoering. De omzet van de branche is circa 1,4 miljard euro. Van alle beveiligingsmedewerkers in Nederland werkt 90% bij een bedrijf dat is aangesloten bij de Nederlandse Veiligheidsbranche.

    Over VEB
    De VEB (Vereniging Erkende Beveiligingsbedrijven) is met ruim 600 aangesloten beveiligingsbedrijven een wijdvertakte belangenbehartiger binnen de beveiligingssector. De visie van de VEB is dat veiligheid optimaal gerealiseerd wordt doordat betrouwbare beveiligingsbedrijven de te nemen maatregelen met elkaar afstemmen. Hierdoor realiseren deze bedrijven met elkaar de beste beveiligingsoplossingen. De missie van de VEB is dan ook de veiligheid in Nederland optimaal waarborgen.

  • Let op: per 1 januari 2020 gelden nieuwe regels voor de WW-premies

    Let op: per 1 januari 2020 gelden nieuwe regels voor de WW-premies

    Let op: per 1 januari 2020 gelden nieuwe regels voor de WW-premies

    De regels voor WW-premies veranderen als gevolg van de invoering van de Wet Arbeidsmarkt in Balans per 1 januari 2020.

    Voor de WW-premies gaat een hoog tarief en een laag tarief gelden. Mensen met een contract voor bepaalde tijd vallen onder het hoge tarief, vaste medewerkers onder het lage tarief. Maar ontvangt een parttime medewerker binnen een jaar 30 procent meer salaris, dan krijgt de werkgever met terugwerkende kracht alsnog het hoge WW-tarief toegerekend.Nieuw is ook dat op de loonstrook moet worden vermeld welk contract een medewerker heeft: is de overeenkomst voor onbepaalde tijd of bepaalde tijd? U hebt er baat bij dit goed te regelen, want bij een vast contract gaat het lage WW-tarief gelden. Het is dus extra belangrijk om de salarisadministratie goed op orde te hebben. 

    1. Wanneer betaalt de werkgever de lage WW-premie?
    De hoofdregel is dat de werkgever de lage WW-premie betaalt voor werknemers die werkzaam zijn op basis van een vast contract, dat wil zeggen een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die geen oproepovereenkomst is. Er is sprake van een oproepovereenkomst:
    • wanneer de omvang van de arbeid niet is vastgelegd in een aantal uren per tijdseenheid van maximaal een maand;
    • wanneer de omvang van de arbeid niet is vastgelegd in een aantal uren per tijdseenheid van maximaal een jaar waarbij het loon gelijkmatig over het jaar is gespreid; of
    • wanneer de werknemer op grond van artikel 7:628 lid 5 of artikel 7:691 lid 7 BW (uitsluiting van de loondoorbetalingsplicht) geen recht heeft op het naar tijdruimte vastgestelde loon, indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht.

    De werknemer heeft bij een oproepovereenkomst geen zekerheid over het aantal te werken uren en het loon. Een min-max-contract valt ook onder het begrip oproepovereenkomst omdat een werknemer geen zekerheid heeft over de uit te betalen uren per maand, want het aantal gewerkte uren kan variëren binnen de bandbreedte van het contract. Dit geldt ook voor een nul-urencontract. 

    De wetgever heeft er rekening mee gehouden dat het – in sectoren die sterk afhankelijk zijn van seizoensarbeid – niet altijd mogelijk is om met werknemers een vast contract met een vaste arbeidsomvang per week of maand overeen te komen.
    Daarom maakt de WAB het mogelijk om ook de lage WW-premie te betalen voor schriftelijke contracten voor onbepaalde tijd waarbij de arbeidsomvang per jaar overeen is gekomen, mits het recht op loon gelijkmatig over het jaar is gespreid (de zogenoemde jaarurennorm).
    Voor alle gevallen waarin niet aan de voorwaarden voor de lage WW-premie wordt voldaan, geldt de hoge WW-premie. Dat is onder andere het geval bij een oproepovereenkomst, een overeenkomst voor bepaalde tijd of bij een arbeidsovereenkomst die niet schriftelijk is overeengekomen. Zie voor uitzonderingen op de hoofdregel vraag 7.

    2. Welke premie betaalt de werkgever als er wel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is, maar geen schriftelijke arbeidsovereenkomst?
    Als er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is gesloten, dan wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor de lage WW-premie. (behoudens de uitzonderingen die hieronder bij vraag 4 worden behandeld). De werkgever is dan de hoge WW-premie verschuldigd. 

    Als een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten en die van rechtswege overgaat in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder dat de schriftelijke arbeidsovereenkomst is aangepast aan de nieuwe situatie, dan is de werkgever ook de hoge WW-premie verschuldigd. De werkgever is verplicht om op de loonstrook te vermelden of er een schriftelijke arbeidsovereenkomst is overeengekomen en in de loonaangifte met een indicatie ja/mee aan te geven of er sprake is van een schriftelijke arbeidsovereenkomst.

    Via het digitaal verzekeringsbericht van UWV kan de werknemer controleren of de aard van het contract juist in de loonaangifte is opgenomen.

    3. Wanneer betaalt de werkgever de hoge WW-premie?
    Voor alle gevallen, met uitzondering van de uitzonderingen die bij vraag 4 worden benoemd, waarin niet aan de voorwaarden van de lage WW-premie (schriftelijk, onbepaalde tijd en geen oproepovereenkomst) wordt voldaan, geldt de hoge WW-premie.


    Dit geldt dus voor alle flexibele dienstverbanden. Daaronder vallen werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, maar ook uitzendkrachten die een uitzendovereenkomst hebben met een uitzendbeding.

    De hoge WW-premie is ook van toepassing bij een fictieve dienstbetrekking. Een fictieve dienstbetrekking voldoet voor toepassing van de lage WW-premie namelijk niet aan het vereiste dat sprake is van een dienstbetrekking zoals bedoeld in artikel 3 WW die steunt op de arbeidsovereenkomst (artikel 7:610 BW). Daarnaast betaalt de werkgever ook de hoge WW-premie voor oproepkrachten die werkzaam zijn op basis van een oproepovereenkomst.

    4. Wat zijn de uitzonderingen op het betalen van de lage of hoge WW-premie?
    Er zijn drie situaties waarin de werkgever altijd de lage WW-premie mag betalen.

    a) Als een werkgever met een BBL-leerling een praktijkovereenkomst sluit en die voorziet van dagtekening en in de administratie opneemt, dan mag de werkgever de lage WW-premie betalen als de werkgever ook een arbeidsovereenkomst met de BBL-leerling heeft. BBL staat voor Beroeps Begeleidende Leerweg. Dit is een onderwijsvorm waarbij de leerlingen werkend leren. De leerling gaat meestal één dag in de week naar school, de andere vier dagen werkt hij bij een erkend leerbedrijf.

    De praktijkovereenkomst kan dus gepaard gaan met een arbeidsovereenkomst doordat beide overeenkomsten door partijen worden gesloten of doordat uit de aard van de feitelijk te verrichten activiteiten en de verhouding waarbinnen die activiteiten worden verricht ook sprake is van een arbeidsovereenkomst.

    b) De werkgever betaalt ook de lage WW-premie als een arbeidsovereenkomst is gesloten met een werknemer jonger dan 21 jaar, die maximaal 48 uur per aangiftetijdvak van vier weken of 52 uur per aangiftetijdvak van een kalendermaand loon heeft gekregen. De situatie kan zich voordoen dat de werkgever het ene aangiftetijdvak de lage WW-premie en het andere aangiftetijdvak de hoge WW-premie – namelijk waarin meer dan 48 of 52 uren verloond zijn – moet betalen voor een jongere onder de 21 jaar.

    Voor de toets aan de leeftijd van 21 jaar is de leeftijd van belang die de werknemer had op de eerste dag van het betreffende aangiftetijdvak van vier weken of een maand. Als de werknemer op de eerste dag van het aangiftetijdvak nog niet in dienst was, dan geldt de leeftijd van de werknemer op de eerste dag van de dienstbetrekking.

    c) De werkgever betaalt over uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen (WW, ZW, WIA, WAO, WAZO) de lage WW-premie. Dit is zowel het geval als UWV de uitkering rechtstreeks aan de werknemer betaalt als wanneer de werkgever de uitkering van UWV ontvangt en aan de werknemer doorbetaalt (dit wordt een werkgeversbetaling genoemd) of als de werkgever eigenrisicodrager is en de uitkering zelf betaalt.

    5. Kan de lage WW-premie worden herzien waardoor de werkgever alsnog de hoge WW-premie is verschuldigd?
    In een aantal situaties moet de werkgever de lage WW-premie herzien. Hiervoor is de werkgever zelf verantwoordelijk. De werkgever is in eerste instantie de lage WW-premie verschuldigd. Als één van de herzieningssituaties zich voordoet, is de werkgever verplicht om met terugwerkende kracht de hoge WW-premie te betalen. De hoge WW-premie is dan alsnog met terugwerkende kracht verschuldigd. 

    De hoogte van de herziening is het verschil tussen enerzijds de premies die de werkgever zou hebben betaald als hij gedurende de voorafgaande twaalf maanden (of = als de arbeidsovereenkomst korter heeft geduurd – over de gehele duur van de arbeidsovereenkomst) de hoge premie had betaald, en anderzijds de premies die de werkgever reeds heeft betaald. Een herziening heeft dus betrekking op een periode van maximaal twaalf maanden. Als een herziening betrekking heeft op perioden in twee kalenderjaren, moet voor elk respectievelijk kalenderjaar worden gerekend met de premies die in dat jaar van toepassing waren.

    Vanaf 1 januari 2020 gelden twee herzieningssituaties:

    a) Wanneer de dienstbetrekking uiterlijk twee maanden na aanvang eindigt. De reden van de beëindiging van de dienstbetrekking is hiervoor niet relevant. Hieronder valt ook de situatie waarin de dienstbetrekking precies twee maanden heeft geduurd.

    b) Wanneer de uren waarover loon wordt betaald (de verloonde uren) de contractuele overeengekomen uren (de contracturen) met meer dan 30 procent overstijgen in de loonaangifte over het betreffende kalenderjaar. Deze bepaling is niet van toepassing als de werknemer in het kalenderjaar bij de werkgever één of meer dienstbetrekkingen heeft waarop de werkgever de lage WW-premie mag toepassen waarbij in deze dienstbetrekking(en) gemiddeld een arbeidsomvang van minimaal 35 uur per week is overeengekomen (voltijds volgens de definitie van het Centraal Bureau voor de Statistiek).
    Deze bepaling voorkomt dat vaste contracten worden aangegaan met een (zeer) beperkt aantal vaste uren en in de praktijk structureel overwerk wordt ingezet als flexibele arbeid en wordt berekend over de loonaangiftegegevens van een bepaald kalenderjaar. Om te berekenen of deze situatie op een werknemer van toepassing is, wordt de verhouding tussen het totaal aantal verloonde uren en de totale overeengekomen uren in de arbeidsovereenkomsten in het kalenderjaar berekend.

  • Uitspraak Commissie van Beroep Nederlandse Veiligheidsbranche

    Uitspraak Commissie van Beroep Nederlandse Veiligheidsbranche

    Uitspraak Commissie van Beroep Nederlandse Veiligheidsbranche

    Gorinchem, 20 december 2019 – Op 5 november 2019 heeft de Commissie van Beroep van de Nederlandse Veiligheidsbranche een uitspraak gedaan. Hiermee wordt gevolg gegeven aan de mogelijkheid om door een onafhankelijke commissie te laten toetsen of leden van de vereniging zich houden aan de gedragscode en de Privacygedragscode.

    Klachten

    De wet (WPBR) bepaalt dat als iemand zich benadeeld voelt door het optreden van een particuliere beveiligingsorganisatie (of recherchebureau), hij een klacht kan indienen bij de directie van het bedrijf. Dit geldt voor alle beveiligingsorganisaties, dus zowel voor leden van de Nederlandse Veiligheidsbranche als voor niet leden. 

    Voor leden van de Nederlandse Veiligheidsbranche is de wettelijke klachtenprocedure verlengd. Als iemand een klacht heeft ingediend tegen een bij ons aangesloten bedrijf, kan hij – indien hij het niet eens is met de uitspraak – beroep indienen bij de Commissie van Beroep. Deze commissie is ingesteld door de Nederlandse Veiligheidsbranche, maar de leden van deze commissie zijn volstrekt onafhankelijk en onpartijdig.  

    Uitspraken

    De uitspraak van de commissie is bindend voor partijen met ingang van de dag waarop hij is gedaan. De commissie is bevoegd de beklaagde één of een combinatie van maatregelen op te leggen. Welke maatregelen dit zijn, is te vinden in het reglement. 

    Zaak 3051621

    Op 5 november heeft er een zitting plaatsgevonden van de Commissie van Beroep. De klacht van klaagster richtte zich op schending van privacy en het te beperkt en subjectief uitvoeren van het onderzoek. De Commissie van beroep heeft klaagster op beide punten in het gelijk gesteld. Daarbij heeft de Commissie onder meer de volgende maatregel opgelegd: de openbaarmaking van deze uitspraak, geanonimiseerd, door verspreiding hiervan via de nieuwsbrief en de website van de Nederlandse Veiligheidsbranche. 

    De uitspraak van de Commissie van beroep vindt u links. Een afschrift hiervan wordt via de nieuwsbrief van december 2019 verspreid. 

  • Onderzoeksbureaus kunnen prima helpen bij opsporen gevluchte criminelen

    Onderzoeksbureaus kunnen prima helpen bij opsporen gevluchte criminelen

    Onderzoeksbureaus kunnen prima helpen bij opsporen gevluchte criminelen

    Gorinchem, 17 december 2019 – Bij het opsporen van criminelen die nog een gevangenisstraf moeten uitzitten, kan justitie heel goed gebruik maken van de diensten van particuliere onderzoeksbureaus. Dit blijkt volgens de Nederlandse Veiligheidsbranche uit een pilot met zo’n onderzoeksbureau, waarbij van 11 personen de vermoedelijke woon- of verblijfplaats in het buitenland werd achterhaald.

    Nederlandse Veiligheidsbranche positief over pilot

    De pilot vond in 2018 en 2019 plaats in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid en werd (na een aanbesteding) uitgevoerd door onderzoeksbureau Pinkerton. De vraag was om van 25 voortvluchtige personen, die nog een gevangenisstraf van minimaal 120 dagen moesten uitzitten, het vermoedelijke adres in het buitenland te achterhalen.
    Met deze adressen (en een positieve ID-verificatie) zouden buitenlandse autoriteiten veroordeelden kunnen aanhouden. Afgesproken was dat de onderzoekers uitsluitend gebruik mochten maken van publiek toegankelijke bronnen. Bovendien moest ter wille van een rechtmatige aanhouding goed beschreven worden op welke manier een adres was achterhaald.

    Van de veroordeelden werd door justitie verondersteld dat ze zich ophielden in verschillende Europese landen. Pinkerton is langs twee lijnen op zoek gegaan naar hun waarschijnlijke woon- of verblijfplaats. Ten eerste is door data-analisten gezocht via officiële bekendmakingen van buitenlandse overheden, zoekmachines, sociale media, publiek toegankelijke websites, openbare telefoongidsen en handelsinformatie. Deze methode bleek niet het meest effectief.
    De tweede onderzoekslijn, het inschakelen door Pinkerton van lokale partners, leverde meer resultaten op. Lokale onderzoeksbureaus zijn vaak goed op de hoogte van specifieke omstandigheden en mogelijkheden in een land. Zo werden in Frankrijk de vermoedelijke adresgegevens van drie veroordeelden opgespoord omdat de Belastingdienst deze informatie van de ene belastingplichtige op aanvraag beschikbaar stelt aan een andere belastingplichtige. Een vierde adres werd in Frankrijk via het kadaster achterhaald. Adressen van andere veroordeelden werden opgespoord in Polen (3), Roemenië (3) en Bulgarije (1).

    De Nederlandse Veiligheidsbranche vindt een steekproef van 25 personen weliswaar klein, maar noemt een score van 11 vermoedelijke adressen toch “zeer hoopgevend”. Hiermee is overigens niet met zekerheid vast te stellen of de betrokken personen ook daadwerkelijk op het gevonden adres woonden of tijdelijk verbleven omdat het de onderzoekers niet was toegestaan ter plaatse te gaan kijken. Justitie heeft niet bekendgemaakt of de 11 veroordeelden ook feitelijk zijn aangehouden.

    Aanbevelingen
    Op basis van de pilot doet Pinkerton enkele aanbevelingen voor een mogelijk vervolg. Ten eerste stelt het bureau dat het niet in alle landen zinvol is op deze manier op zoek te gaan naar voortvluchtige veroordeelden. Sommige landen hebben zo weinig openbare bronnen waarin persoonsgegevens te vinden zijn, dat zulk onderzoek al bij voorbaat weinig kans heeft. “Wij hebben vooraf met het ministerie afgesproken dat onderzoek uitsluitend op basis van nationale wetgeving zou worden uitgevoerd”, zegt Koos Schoonbeek, directeur van Pinkerton.
    Verder is een conclusie dat de beschikbaarheid van een recente foto van een veroordeelde de kans op succes aanzienlijk vergroot. Bij deze pilot was van 10 van de 25 personen géén foto beschikbaar, wat de identificatie heeft bemoeilijkt en van deze 10 slechts 1 adres heeft opgeleverd.
    De effectiviteit kan ook vergroot worden door het speurwerk te richten op landen waar op basis van de pilot blijkt dat de opsporingsmethodiek relatief eenvoudig en tegen geringe kosten kan. Als de opsporingsmethodiek erkend wordt, kan waarschijnlijk ook het meest efficiënt samengewerkt worden met de justitiële autoriteiten in het betreffende land.

    Verder concludeert het onderzoeksbureau dat het verstandig kan zijn veroordeelden zelf tijdig formeel toestemming te vragen voor het verwerken van hun persoonsgegevens, bijvoorbeeld als voorwaarde voor vervroegde invrijheidstelling. Daarmee kan mogelijk voorkomen worden dat persoonlijke gegevens niet aangenomen en verwerkt mogen worden vanwege privacyregelgeving in andere EU-landen.

    Het ministerie van Justitie en Veiligheid is tevreden over het verloop van de pilot en over de resultaten. Het zegt niet uit te sluiten dat in de toekomst vaker van particuliere onderzoeksbureaus gebruik zal worden gemaakt. Minister Sander Dekker voor Rechtsbescherming heeft enige tijd geleden een programma ‘Onvindbare veroordeelden’ geïntroduceerd, waarmee hij een impuls wil geven aan de effectieve tenuitvoerlegging van straffen.

    Het idee om de pilot met een particulier onderzoeksbureau te houden kwam van de Nederlandse Veiligheidsbranche, de brancheorganisatie voor bedrijven op het gebied van particuliere beveiliging, recherche en geld- en waardetransport.
    Voorzitter Ard van der Steur heeft er recent voor gepleit om taken van politie en justitie waarvoor geen gezagsbevoegdheden of bewapening nodig zijn, vaker uit te besteden aan particuliere beveiligingsorganisaties met het Keurmerk Beveiliging. Hij denkt daarbij aan zorg voor arrestanten, baliewerk, het verwerken van aangiftes, het opstellen van meetapparatuur voor snelheidsmetingen, alcoholcontroles, maar bijvoorbeeld ook het opsporen van veroordeelden met een openstaande straf.
    “Op die manier kunnen politie en justitie zich focussen op taken waarvoor wel speciale bevoegdheden nodig zijn”, aldus Van der Steur, “en leveren we gezamenlijk een optimale bijdrage aan veiligheid en rechtsbescherming.”

  • Beveiligers verdienen ook extra bescherming tegen agressie en geweld

    Beveiligers verdienen ook extra bescherming tegen agressie en geweld

    Beveiligers verdienen ook extra bescherming tegen agressie en geweld

    Gorinchem, 16 december 2019 – Net als ambulancemedewerkers, brandweerlieden en politiemensen verdienen ook medewerkers van beveiligingsbedrijven een betere bescherming tegen agressie en geweld. Dit zegt de Nederlandse Veiligheidsbranche in reactie op het voorstel van het kabinet om bij elke vorm van geweld tegen personen die een publieke taak uitoefenen geen taakstraf meer mogelijk te maken. Dit verbod geldt nu alleen voor bepaalde geweld- en zedenmisdrijven.

    Nederlandse Veiligheidsbranche in reactie op wetswijziging:

    “Beveiligers kunnen, net als andere functionarissen belast met een publieke taak, slachtoffer worden van agressie en geweld”, zo zegt Ard van der Steur, voorzitter van de Nederlandse Veiligheidsbranche. “De praktijk is helaas dat beveiligers nog niet automatisch dezelfde behandeling krijgen als de in het wetsvoorstel genoemde hulpverleners. Dat is niet uit te leggen; beveiligers werken herkenbaar in uniform en hebben een wettelijk omschreven beveiligingstaak. Het gaat vaak om beveiligers die werken voor een gemeente en/of overheid. Ook die 30.000 functionarissen verdienen rechtvaardige bescherming tegen geweldplegers.”

    De Nederlandse Veiligheidsbranche vindt het overigens zeer terecht dat functionarissen die bij een publieke taak worden geconfronteerd met agressie en geweld, beter worden beschermd. Ze pleit er echter voor de beveiligers toe te voegen aan de in het wetsvoorstel genoemde beroepsgroepen (politie, brandweer en ambulancemedewerkers).

    De Nederlandse Veiligheidsbranche behartigt de belangen van bedrijven die zich bezighouden met beveiliging en beheersing van risico’s met betrekking tot personen, objecten en bedrijfsvoering. De omzet van de branche is circa 1,4 miljard euro. Van alle beveiligingsmedewerkers in Nederland werkt 90 procent bij een bedrijf dat is aangesloten bij de Nederlandse Veiligheidsbranche.

  • Nederlandse Veiligheidsbranche beraadt zich naar aanleiding van besluit ministerie SZW inzake CAO

    Nederlandse Veiligheidsbranche beraadt zich naar aanleiding van besluit ministerie SZW inzake CAO

    Nederlandse Veiligheidsbranche beraadt zich naar aanleiding van besluit ministerie SZW inzake CAO

    Gorinchem, 11 december 2019 – Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid handhaaft zijn besluit om leden van VBe NL dispensatie te geven van de CAO Particuliere Beveiliging.

    De Nederlandse Veiligheidsbranche is teleurgesteld dat het ministerie de door de vereniging aangevoerde principiële en feitelijke bezwaren tegen deze dispensatie heeft verworpen. De brancheorganisatie, die 90 procent van de werkgelegenheid in de beveiligingsbranche vertegenwoordigt, blijft van mening dat de verleende dispensatie leidt tot concurrentie op arbeidsvoorwaarden en onduidelijkheid voor opdrachtgevers in deze relatief kleine branche.

    De Nederlandse Veiligheidsbranche bestudeert het besluit en beraadt zich op eventuele vervolgstappen.

  • Wetgeving inzet zzp’ers wordt feitelijk niet nageleefd

    Wetgeving inzet zzp’ers wordt feitelijk niet nageleefd

    Wetgeving inzet zzp’ers wordt feitelijk niet nageleefd

    Gorinchem, 9 december 2019 – De wetgeving voor de inzet van zelfstandigen door beveiligingsbedrijven is tegenstrijdig. Terwijl de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) het inschakelen van zzp’ers feitelijk uitsluit, worden in de praktijk steeds meer zogeheten ND-vergunningen voor het uitoefenen van een beveiligingsbedrijf afgegeven aan zelfstandigen. Dit heeft een “negatieve invloed op de kwaliteit van de beveiligingsdienstverlening en de veiligheid”, aldus de Nederlandse Veiligheidsbranche in een reactie op nieuwe wetgeving inzake zzp’ers.

    De brancheorganisatie reageert op het voorstel van het kabinet voor de Wet minimumbeloning zelfstandigen en zelfstandigenverklaring. Doel van deze wet is zelfstandigen/werknemers en hun opdrachtgevers/werkgevers meer zekerheid geven over de kwalificatie van hun arbeidsrelatie.

    Punt is echter dat de Wpbr de inzet van zzp’ers formeel eigenlijk uitsluit. Op grond van die wet zijn beveiligingsbedrijven verplicht om zelf een ND-vergunning te hebben (af te geven door Dienst Justis) en bij de inzet van werkenden (in loondienst of als zelfstandige) een beveiligingsvergunning op naam aan te vragen. “Daarmee is ‘vrije vervanging’ feitelijk niet mogelijk”, zegt de Nederlandse Veiligheidsbranche. “Ook zal een beveiliger als gevolg van de kenmerken van de Wpbr en de aard van de werkzaamheden in de praktijk vrijwel altijd ‘onder gezag’ werken.” Ook dat belemmert echte zelfstandigheid.
    Dat niettemin het aantal zzp’ers groeit zien de branche en de politie, die toezicht houdt, als een negatieve ontwikkeling.

    In het wetsvoorstel van het kabinet is volgens de Nederlandse Veiligheidsbranche sowieso niet gekeken naar knelpunten die specifiek zijn voor de beveiligingssector. Ook het feit dat voor zzp’ers straks een algemeen geldend minimumtarief gehanteerd moet worden van 16 euro per uur, vindt de branche geen goed idee. Zo’n tarief zou best eens de norm kunnen worden voor opdrachtgevers. “De race naar de bodem is dan echt ingezet.”
    Als er al een minimumtarief zou moeten gelden dan opteert de Nederlandse Veiligheidsbranche voor een systeem dat in de architecten-cao is ingevoerd namelijk een tarief van 150 procent van het salaris van een vergelijkbare werknemer (in dit geval beveiliger) in loondienst. “Op die manier wordt concurrentie op arbeidsvoorwaarden voorkomen.”

    De Nederlandse Veiligheidsbranche behartigt de belangen van bedrijven die zich bezighouden met beveiliging en beheersing van risico’s met betrekking tot personen, objecten en bedrijfsvoering. De omzet van de branche is circa 1,4 miljard euro. Van alle beveiligingsmedewerkers in Nederland werkt 90 procent bij een bedrijf dat is aangesloten bij de Nederlandse Veiligheidsbranche.